Art. 23 Richtlijn 2008/57/EG, Aanvullende vergunningen tot indienststelling van voertuigen die in overeenstemming zijn met TSI’s

Richtlijn 2008/57/EG

1. Voertuigen die volledig in overeenstemming zijn met TSI’s die alle aspecten van de relevante subsystemen zonder specifieke gevallen en openstaande punten die strikt verband houden met de technische verenigbaarheid tussen voertuig en netwerk bestrijken, behoeven geen aanvullende vergunning voor indienststelling zolang zij rijden op TSI-conforme netten in de andere lidstaten of onder de in de bijbehorende TSI gespecificeerde voorwaarden.

2. In het geval van voertuigen die in dienst worden gesteld overeenkomstig artikel 22, maar die niet vallen onder lid 1, besluiten de lidstaten of aanvullende goedkeuringen op hun grondgebied vereist zijn. In dit geval zijn de leden 3 tot 7 van toepassing.

3. De aanvrager legt de nationale veiligheidsinstantie een dossier over aangaande het voertuig of het voertuigtype en het beoogde gebruik ervan op het net. Het dossier bevat:

a) bewijsstukken dat in een andere lidstaat een vergunning voor indienststelling van het voertuig is afgegeven overeenkomstig artikel 22;

b) een kopie van het technisch dossier bedoeld in bijlage VI. In geval van voertuigen die zijn uitgerust met gegevensrecorders omvat dit tevens informatie over de procedure voor het verzamelen van gegevens zodat deze gegevens kunnen worden gelezen en geëvalueerd, voor zover deze informatie niet is geharmoniseerd door de betreffende TSI;

c) informatie over het onderhoud in het verleden van het voertuig en, waar van toepassing, de na de vergunningsafgifte aangebrachte technische wijzigingen;

d) bewijsmateriaal inzake technische en operationele kenmerken waaruit blijkt dat het voertuig verenigbaar is met de infrastructuur en de vaste installaties met inbegrip van klimatologische omstandigheden, energievoorziening, besturing en seingeving, spoorbreedte en infrastructuurprofielen, maximale asbelasting en andere netwerkeisen.

4. De criteria die een nationale veiligheidsinstantie controleert mogen alleen betrekking hebben op:

— technische verenigbaarheid tussen het voertuig en het betrokken net, met inbegrip van de nationale voorschriften die van toepassing zijn op de openstaande punten die nodig zijn om deze verenigbaarheid te waarborgen;

— de nationale voorschriften die van toepassing zijn op de specifieke gevallen die in de betreffende TSI’s zijn omschreven.

5. De bevoegde nationale veiligheidsinstantie kan verlangen dat aanvullende informatie wordt verstrekt, dat risicoanalysen worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/49/EG of dat tests op het net plaatsvinden, teneinde de in lid 4 bedoelde criteria te verifiëren. Na de goedkeuring van het in artikel 27 van die richtlijn bedoelde referentiedocument mag de nationale veiligheidsautoriteit een dergelijke verificatie evenwel alleen verrichten op basis van de in de categorieën B of C van dit document opgenomen nationale voorschriften.

6. De nationale veiligheidsinstantie bepaalt na raadpleging van de aanvrager de draagwijdte en de inhoud van de gevraagde aanvullende informatie, risicoanalysen en tests. De infrastructuurbeheerder doet, in overleg met de aanvrager, al het mogelijke om ervoor te zorgen dat eventuele tests plaatsvinden binnen drie maanden na het verzoek van de aanvrager. Indien nodig treft de nationale veiligheidsinstantie maatregelen om te waarborgen dat de tests plaatsvinden.

7. Alle aanvragen voor een vergunning voor indienststelling die overeenkomstig dit artikel zijn ingediend, zijn het voorwerp van een besluit door de nationale veiligheidsinstantie dat zo spoedig mogelijk moet worden genomen en niet later dan:

a) twee maanden na de indiening van het in lid 3 bedoelde dossier;

b) waar van toepassing, één maand na het verstrekken van aanvullende informatie waar de nationale veiligheidsinstantie om heeft verzocht;

c) waar van toepassing, één maand na het verstrekken van testresultaten waar de nationale veiligheidsinstantie om heeft verzocht.