Art. 9, Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging

1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren in de volgende gevallen:

a) het in artikel 4 bedoelde certificaat is onvolledig of stemt kennelijk niet overeen met het vonnis en is niet binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat gestelde redelijke termijn aangevuld of gecorrigeerd;

b) er is niet voldaan aan de in artikel 4, lid 1, vermelde criteria;

c) de tenuitvoerlegging van de sanctie is onverenigbaar met het „ne bis in idem”-beginsel;

d) in het in artikel 7, lid 3, bedoelde geval en, voor zover de tenuitvoerleggingsstaat in het in artikel 7, lid 1, bedoelde geval, een verklaring heeft afgelegd op grond van artikel 7, lid 4, heeft het vonnis betrekking op feiten die naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar zijn. Ter zake van retributies en belastingen, douanerechten en deviezen evenwel mag de tenuitvoerlegging van een vonnis niet worden geweigerd op grond van het feit dat de tenuitvoerleggingsstaat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douanerechten en deviezen kent als de beslissingsstaat;

e) de tenuitvoerlegging van de sanctie is volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verjaard;

f) het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voorziet in een immuniteit die tenuitvoerlegging van de sanctie onmogelijk maakt;

g) de sanctie is opgelegd aan een persoon die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat vanwege zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis;

h) wanneer de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat het vonnis ontvangt, moeten van de sanctie nog minder dan zes maanden worden ondergaan;

i) het vonnis is bij verstek gewezen, tenzij in het certificaat staat vermeld dat de betrokkene persoonlijk was gedagvaard of door toedoen van een volgens het nationale recht van de beslissingsstaat bevoegde vertegenwoordiger in kennis was gesteld van het tijdstip en de plaats van de procedure die tot verstekbeslissing heeft geleid, dan wel dat de betrokkene een bevoegde autoriteit ervan in kennis heeft gesteld dat hij het vonnis niet betwist;

j) de tenuitvoerleggingsstaat heeft, voordat volgens de procedure van artikel 12, lid 1, een beslissing wordt genomen, overeenkomstig artikel 18, lid 3, een verzoek ingediend en de beslissingsstaat heeft er niet, overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder g), in toegestemd dat de betrokkene in de tenuitvoerleggingsstaat wordt vervolgd of berecht of dat hem anderszins de vrijheid wordt benomen wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit dan dat wat aan de overbrenging ten grondslag ligt;

k) de opgelegde sanctie omvat een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt en die, ondanks artikel 8, lid 3, niet ten uitvoer kan worden gelegd binnen het rechts- of gezondheidszorgsysteem van de tenuitvoerleggingsstaat;

l) het vonnis heeft betrekking op strafbare feiten die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats, zijn gepleegd.

2. Het in lid 1, onder l), bedoelde besluit betreffende strafbare feiten die gedeeltelijk op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat of op een daarmee gelijk te stellen plaats zijn gepleegd, wordt door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in uitzonderlijke omstandigheden en per individueel geval genomen, waarbij dient te worden gelet op de bijzondere omstandigheden, en met name de vraag of de feiten voor een groot of zeer belangrijk deel in de beslissingsstaat zijn gepleegd.

3. In de in lid 1, onder a), b), c), i), k) en l), bedoelde gevallen pleegt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij besluit het vonnis niet te erkennen en de sanctie niet ten uitvoer te leggen, langs passende weg overleg met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, en verzoekt zij haar in voorkomend geval onverwijld de noodzakelijk geachte aanvullende gegevens te verstrekken.

Uitspraken die dit artikel aanhalen