HvJ EU 9 november 2023, C-819/21, ECLI:EU:C:2023:841
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
9 november 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Erkenning van vonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Artikel 3, lid 4, en artikel 8 – Weigering van tenuitvoerlegging – Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld – Structurele of fundamentele gebreken in de uitvaardigende lidstaat – Tweestappentoets – Herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een door een lidstaat opgelegde vrijheidsstraf – Tenuitvoerlegging van deze straf door een andere lidstaat”
In zaak C‑819/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Aachen (rechter in eerste aanleg Aken, Duitsland) bij beslissing van 6 december 2021, ingekomen bij het Hof op 22 december 2021, in de procedure
Staatsanwaltschaft Aachen
in tegenwoordigheid van:
M. D.,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, J.‑C. Bonichot (rapporteur), S. Rodin en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en K. Herrmann als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 mei 2023,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2008/909”), gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging in Duitsland van het vonnis van een Poolse rechter waarbij M. D. tot een vrijheidsstraf van zes maanden werd veroordeeld.
Toepasselijke bepalingen
3 De overwegingen 5 en 13 van kaderbesluit 2008/909 luiden als volgt: „(5) Procesrechten in strafrechtelijke procedures vormen de sleutel tot het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten bij justitiële samenwerking. Relaties tussen de lidstaten, die worden gekenmerkt door een bijzonder onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels, maken het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk om beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen. Daarom dient verdere uitbreiding te worden overwogen van de samenwerking waarin is voorzien in de instrumenten van de Raad van Europa betreffende de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, in het bijzonder in het geval van EU-onderdanen die in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. De gevonniste persoon dient over adequate rechtswaarborgen te beschikken, maar zijn rol in de procedure mag niet langer zodanig bepalend zijn dat de toezending van een vonnis aan een andere lidstaat met het oog op de erkenning ervan en de tenuitvoerlegging van de sanctie in alle gevallen afhankelijk is van zijn toestemming. […] (13) Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de tenuitvoerlegging van een vonnis kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de sanctie aan de betrokkene is opgelegd op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon op een van deze gronden kan worden aangetast.”
4 Artikel 3 van deze richtlijn heeft als opschrift „Doel en werking” en bepaalt: „1. Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt. 2. Dit kaderbesluit is van toepassing indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt. […] 4. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.”
5 Artikel 4 van dit kaderbesluit heeft als opschrift „Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat” en bepaalt: „1. Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden: a) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of b) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuurlijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of c) een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden. […]”
6 Artikel 8 van dat kaderbesluit heeft als opschrift „Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie” en luidt als volgt: „1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging. […]”
7 Artikel 9 van kaderbesluit 2008/909 heeft als opschrift „Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging” en bepaalt: „1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren in de volgende gevallen: […] i) volgens het in artikel 4 bedoelde certificaat de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het certificaat is vermeld dat de betrokkene, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de beslissingsstaat bepaalde procedurevoorschriften: i) tijdig – persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces; en – ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt; of ii) op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd; of iii) nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing: – uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist; of – niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend; […]”
8 Artikel 17 van dit kaderbesluit heeft als opschrift „Het op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht” en luidt als volgt: „1. De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn, behoudens de leden 2 en 3, bij uitsluiting bevoegd te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en zij bepalen alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 M. D. is een Pools staatsburger die zijn gewone verblijfplaats in Duitsland heeft en bij vonnis van 7 augustus 2018 van de Sąd Rejonowy Szczecin-Prawobrzeże (rechter in eerste aanleg Szczecin-Prawobrzeże, Polen) in Polen is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden waarvan de tenuitvoerlegging werd opgeschort. De betrokkene was niet aanwezig bij zijn proces, hoewel de oproeping voor de terechtzitting hem volgens de door de Poolse rechters verstrekte informatie was toegezonden op het door hem in het kader van de onderzoeksprocedure opgegeven adres in Polen.
10 Bij beschikking van 16 juli 2019 heeft dezelfde rechter die aanvankelijk toegekende opschorting herroepen en de tenuitvoerlegging van de aan M. D. opgelegde vrijheidsstraf gelast. De redenen voor deze herroeping en in het bijzonder de vraag of die herroeping volgde op een nieuwe strafrechtelijke veroordeling, blijken niet duidelijk uit het aan het Hof overgelegde dossier.
11 Op 13 augustus 2020 heeft de Sąd Okregowy w Szczecinie (rechter in tweede aanleg Szczecin, Polen) een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd, op grond waarvan M. D. in Duitsland is aangehouden. Bij beslissing van 17 december 2020 heeft de Staatsanwaltschaft Köln (openbaar ministerie Keulen, Duitsland) de tenuitvoerlegging van dit aanhoudingsbevel geweigerd op grond van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”), op grond dat de betrokkene sinds meerdere jaren zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had en zich tegen zijn overlevering aan de Poolse autoriteiten had verzet.
12 Op 26 januari 2021 heeft de Sąd Okregowy Szczecin de Generalstaatsanwaltschaft Berlin (bureau van de procureur-generaal Berlijn, Duitsland) een gewaarmerkt afschrift van het vonnis van 7 augustus 2018 doen toekomen, vergezeld van het in artikel 4 van kaderbesluit 2008/909 bedoelde certificaat, met het oog op de tenuitvoerlegging in Duitsland van de aan M. D. opgelegde vrijheidsstraf. Het dossier werd doorgezonden aan de territoriaal bevoegde Staatsanwaltschaft Aachen (openbaar ministerie Aken, Duitsland).
13 Na M. D. te hebben gehoord – waarbij deze heeft verklaard geen oproeping te hebben ontvangen voor de in Polen gehouden terechtzitting en te kennen heeft gegeven dat de tegen hem aangevoerde grieven ongegrond waren – heeft de Staatsanwaltschaft Aachen de strafuitvoeringskamer van het Landgericht Aachen (rechter in eerste aanleg Aken, Duitsland), de verwijzende rechter, verzocht om in te stemmen met het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 augustus 2018 en de beschikking 16 juli 2019 van de Sąd Rejonowy Szczecin-Prawobrzeże en tegen M. D. een vrijheidsstraf van zes maanden uit te spreken. Volgens de Staatsanwaltschaft Aachen was aan alle voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het in Polen gewezen vonnis voldaan. In het bijzonder waren de feiten die aan de veroordeling ten grondslag lagen, gepleegd tussen maart en juni 2009, volgens dit openbaar ministerie naar Duits strafrecht strafbaar als verduistering en valsheid in geschrifte.
14 De verwijzende rechter vraagt zich af of hij kan weigeren de in Polen aan M. D. opgelegde gevangenisstraf in Duitsland uitvoerbaar te verklaren op grond dat deze lidstaat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en artikel 2 VEU heeft geschonden. Hij merkt op dat de gegevens waarover hij beschikt, gewag maken van structurele of fundamentele gebreken in het Poolse justitiële apparaat op de datum van het vonnis en de beschikking van de Sąd Rejonowy Szczecin-Prawobrzeże waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht, namelijk op 7 augustus 2018 en 16 juli 2019. In dit verband verwijst hij met name naar het met redenen omklede voorstel op grond van artikel 7, lid 1, VEU van de Europese Commissie inzake de rechtsstaat in Polen van 20 december 2017 [COM(2017) 835 final] en naar de recente rechtspraak van het Hof over dit onderwerp.
15 In deze context vraagt het Landgericht Aachen zich af of het, met het oog op de erkenning en de tenuitvoerlegging in Duitsland van de aan M. D. in Polen opgelegde vrijheidsstraf, zelf moet bepalen of het justitiële apparaat van deze lidstaat op 7 augustus 2018 en 16 juli 2019 gebrekkig was en of het grondrecht van de betrokkene op een eerlijk proces is geschonden, dan wel of het aan het Hof staat om dit te doen teneinde verschillen tussen de lidstaten van de Unie te voorkomen. Ten gronde is deze rechter van oordeel dat het niet duidelijk is dat de oplossing van het Hof in zijn arrest van 25 juli 2018, minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586), met betrekking tot kaderbesluit 2002/584, kan worden toegepast op kaderbesluit 2008/909 bij gebreke aan een equivalent in dit laatste kaderbesluit van overweging 10 van kaderbesluit 2002/584 en gelet op de oplossing die door het Hof is gekozen in zijn arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456).
16 Het Landgericht Aachen vraagt zich ook af wat moet worden gedaan wanneer op de datum van de beslissing of de beslissingen waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, de situatie op het gebied van de rechtsstaat in de uitvaardigende lidstaat bevredigend was, maar vervolgens ongunstig is veranderd, zodat dit niet meer het geval is op het tijdstip waarop de rechter van de tenuitvoerleggingsstaat zich moet uitspreken over de erkenning en tenuitvoerlegging van het veroordelend vonnis.
17 In deze omstandigheden heeft het Landgericht Aachen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van [kaderbesluit 2008/909] juncto artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en om de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 8 van dit kaderbesluit, wanneer er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in die lidstaat ten tijde van de vaststelling van de ten uitvoer te leggen beslissing of de daarmee samenhangende latere beslissingen onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat functioneert? 2) Kan de rechter van de tenuitvoerleggingslidstaat die is aangezocht om uitspraak te doen over de verklaring van uitvoerbaarheid, op grond van artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 juncto het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat weigeren om het vonnis van een andere lidstaat te erkennen en de bij dat vonnis opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig artikel 8 van dit kaderbesluit, wanneer er aanwijzingen bestaan dat het justitiële apparaat in die lidstaat ten tijde van de uitspraak over de verklaring van uitvoerbaarheid niet langer volgens het in artikel 2 VEU verankerde beginsel van de rechtsstaat functioneert? 3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet – vooraleer de erkenning van een vonnis van een rechter van een andere lidstaat en de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde sanctie onder verwijzing naar artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 juncto artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] wordt geweigerd op grond dat er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in deze lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces, omdat het justitiële apparaat zelf in die lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert – in een tweede fase worden nagegaan of met name de veroordeelde(n) in de betrokken procedure nadelige gevolgen heeft (hebben) ondervonden van de met het grondrecht op een eerlijk proces onverenigbare omstandigheden? 4) Indien de eerste en/of de tweede vraag ontkennend worden/wordt beantwoord in die zin dat het niet aan de rechterlijke instanties van de lidstaten, maar aan het Hof […] staat om te beslissen of de omstandigheden in een lidstaat onverenigbaar zijn met het grondrecht op een eerlijk proces omdat het justitiële apparaat zelf in deze lidstaat niet langer volgens het beginsel van de rechtsstaat functioneert: Was het justitiële apparaat in de Republiek Polen op 7 augustus 2018 en/of op 16 juli 2019 gebaseerd op het beginsel van de rechtsstaat als bedoeld in artikel 2 VEU, en is het thans gebaseerd op dit beginsel?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde vraag
18 Met zijn eerste tot en met derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat de rechter van de uitvoerende lidstaat op eigen initiatief kan weigeren de door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer hij beschikt over gegevens die wijzen op structurele of fundamentele gebreken in verband met het recht op een eerlijk proces in die lidstaat en, meer in het algemeen, het functioneren van het justitiële apparaat en de eerbiediging van de rechtsstaat. Indien dat het geval is, wenst de verwijzende rechter te vernemen op welk tijdstip hij moet beoordelen of er sprake is van dergelijke structurele of fundamentele gebreken en of hij zich er ook van moet vergewissen dat deze gebreken concrete gevolgen hebben gehad voor de situatie van de gevonniste persoon.
19 Net als kaderbesluit 2002/584 geeft kaderbesluit 2008/909 op strafrechtelijk gebied invulling aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning, die met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, vereisen dat elke lidstaat, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat de andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [zie in die zin arresten van 10 november 2016, Poltorak, C‑452/16 PPU, EU:C:2016:858, punt 26, en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 40]. Zoals in overweging 5 van kaderbesluit 2008/909 wordt benadrukt, breidt dit besluit de justitiële samenwerking uit op het gebied van de erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wanneer EU-onderdanen in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, ter bevordering van hun reclassering.
20 Daartoe bepaalt artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 dat de uitvoerende autoriteit in beginsel moet instemmen met het verzoek tot erkenning van een vonnis en tot tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, dat haar overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van dat kaderbesluit is toegezonden. Zij kan in beginsel slechts weigeren gevolg te geven aan een dergelijk verzoek op grond van de in artikel 9 van dit kaderbesluit limitatief opgesomde gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging.
21 Het Hof heeft evenwel erkend dat de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden beperkt (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 Dit is onder bepaalde voorwaarden het geval op het door kaderbesluit 2002/584 geregelde gebied wanneer er voor een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd in geval van overlevering aan de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Om tot deze oplossing te komen heeft het Hof zich ten eerste gebaseerd op artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, dat bepaalt dat dit besluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals deze zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast, en op het absolute karakter van het door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrecht (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 83 en 84).
23 Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de uitvoerende autoriteit er bij wijze van uitzondering ook van kan afzien gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel wanneer de gezochte persoon bij de overlevering aan een reëel gevaar van schending van zijn in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht op een eerlijk proces kan worden blootgesteld, aangezien dit grondrecht voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en voor het behoud van de in artikel 2 VEU genoemde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name de waarde van de rechtsstaat, van het grootste belang is [zie in die zin arresten van 25 juli 2018, minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 48 en 59, en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 45 en 46].
24 De verwijzende rechter vraagt zich af of een dergelijke oplossing kan worden toegepast in het geval van een verzoek, niet tot overlevering aan de uitvaardigende autoriteiten van een persoon tegen wie op grond van kaderbesluit 2002/584 een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, maar tot erkenning van een vonnis en tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat van een in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, wanneer er aanwijzingen bestaan dat de omstandigheden in die lidstaat ten tijde van de vaststelling van de ten uitvoer te leggen beslissing of de daarmee samenhangende latere beslissingen onverenigbaar zijn met het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht op een eerlijk proces.
25 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 bepaalt dat dit kaderbesluit niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast.
26 Bovendien staat in overweging 13 van dit kaderbesluit te lezen dat dit kaderbesluit „de grondrechten [eerbiedigt] en voldoet aan de beginselen die worden erkend in artikel 6 [VEU] en zijn weergegeven in het Handvest […], met name in hoofdstuk VI”, waaronder het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Deze overweging preciseert in het bijzonder dat „niets in [kaderbesluit 2008/909] eraan in de weg [staat] dat de tenuitvoerlegging van een vonnis kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de sanctie aan de betrokkene is opgelegd op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon op een van deze gronden kan worden aangetast”.
27 Hieruit volgt dat kaderbesluit 2008/909, net als kaderbesluit 2002/584, aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden de erkenning en tenuitvoerlegging van een in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling kan weigeren wanneer zij beschikt over gegevens die melding maken van structurele of fundamentele gebreken die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in die lidstaat kunnen aantasten en dus het grondrecht van de betrokkene op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten.
28 Specifiek in antwoord op de vragen van de verwijzende rechter over de voorwaarden waaronder de tenuitvoerlegging van een op grond van kaderbesluit 2008/909 ingediend verzoek kan worden geweigerd in geval van structurele en fundamentele schendingen van het recht op een eerlijk proces in de uitvaardigende lidstaat, moet worden gesteld dat de mogelijkheid om de erkenning van een vonnis en de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling op grond van artikel 3, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 te weigeren wegens het gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces, vereist dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat een tweestappentoets uitvoert.
29 In een eerste fase staat het aan die autoriteit om te bepalen of er objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens bestaan om aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces in de uitvaardigende lidstaat zal worden geschonden wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in die lidstaat [zie naar analogie arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30 Indien dat het geval is, moet de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in een tweede fase concreet en nauwkeurig nagaan in hoeverre de tekortkomingen die in de eerste fase zijn vastgesteld gevolgen kunnen hebben gehad op de werking van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd zijn om kennis te nemen van de procedures waaraan de betrokkene werd onderworpen, en of er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat een dergelijk risico zich in casu daadwerkelijk heeft voorgedaan, gelet op de persoonlijke situatie van de betrokkene, de aard van het strafbare feit waarvoor hij is berecht en de feitelijke context van de veroordeling waarvan om erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, alsmede, in voorkomend geval, de door deze lidstaat krachtens dit kaderbesluit verstrekte aanvullende gegevens [zie naar analogie arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
31 Dat kaderbesluit 2008/909 geen equivalent bevat van overweging 10 van kaderbesluit 2002/584 – volgens welke de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel slechts kan worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, VEU neergelegde beginselen, welke schending door de Raad van de Europese Unie is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU, dat betrekking heeft op de mogelijkheid de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van een lidstaat op algemene wijze op te schorten – doet in dit verband niet af aan de noodzaak voor de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de in het vorige punt beschreven verificaties per geval te verrichten.
32 Het door de verwijzende rechter aangevoerde arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456), had dan weer betrekking op de vraag of de autoriteiten van een openbaar ministerie onder het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van kaderbesluit 2002/584 vielen. Deze vraag houdt geen rechtstreeks verband met de in de onderhavige zaak gestelde vraag. Uit dat arrest kan hoe dan ook niet worden afgeleid dat structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat volstaan om de tenuitvoerleggingsstaat ervan te ontheffen om op grond van kaderbesluit 2008/909 vonnissen te erkennen en strafrechtelijke sancties ten uitvoer te leggen die door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat zijn uitgesproken [zie naar analogie arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 50].
33 Er zij immers aan herinnerd dat het bestaan van dergelijke structurele of fundamentele gebreken niet noodzakelijkerwijs van invloed is op alle beslissingen die de rechterlijke instanties van die lidstaat in elk afzonderlijk geval nemen [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punten 41 en 42].
34 De bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat toelaten om op eigen initiatief de regeling van kaderbesluit 2008/909 op te schorten door in beginsel te weigeren gevolg te geven aan alle verzoeken tot erkenning van vonnissen en tot tenuitvoerlegging van strafrechtelijke veroordelingen die uitgaan van de lidstaat waarop die gebreken betrekking hebben, zou afbreuk doen aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning die aan dit kaderbesluit ten grondslag liggen [zie naar analogie arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 43].
35 Bovendien staat het, anders dan de verwijzende rechter suggereert, niet aan het Hof maar aan deze rechter om te beoordelen of het door de betrokkene aangevoerde bewijs een grond bevat om de erkenning en tenuitvoerlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde strafrechtelijke veroordeling te weigeren, met dien verstande evenwel dat volgens de rechtspraak van het Hof de mogelijkheid van een dergelijke weigering een uitzondering vormt die strikt moet worden uitgelegd [zie naar analogie beschikking van 12 juli 2022, minister for Justice and Equality (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat – II), C‑480/21, EU:C:2022:592, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 Wat het tijdstip betreft waarop de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat dit dient te beoordelen, moet voorts worden gepreciseerd dat bij een onder kaderbesluit 2008/909 vallend verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging in een lidstaat van een in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, voor het onderzoek of er sprake is van structurele of fundamentele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat, met name met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, noodzakelijkerwijs moet worden uitgegaan van de situatie in die lidstaat ten tijde van die veroordeling. Bij deze beoordeling kan rekening worden gehouden met de ontwikkelingen van deze situatie tot dat tijdstip. Daarentegen moet in beginsel geen rekening worden gehouden met de ontwikkelingen van die situatie na dat tijdstip.
37 Die toets heeft namelijk tot doel de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat in staat te stellen om op basis van het door de betrokkene overgelegde bewijs te beoordelen of dergelijke structurele of fundamentele gebreken concrete gevolgen kunnen hebben gehad voor de strafprocedure die tegen die persoon is ingesteld en die tot zijn veroordeling heeft geleid [zie naar analogie beschikking van 12 juli 2022, minister for Justice and Equality (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat – II), C‑480/21, EU:C:2022:592, punt 41].
38 Hieruit volgt dat het aan de verwijzende rechter staat om zich op het tijdstip van de veroordeling te plaatsen om zowel het bestaan van structurele of fundamentele gebreken in de uitvaardigende lidstaat als de concrete gevolgen ervan voor de situatie van de veroordeelde persoon te beoordelen.
39 Daarentegen hoeft niet te worden onderzocht of de rechtsstaat in de uitvaardigende lidstaat al dan niet wordt geëerbiedigd op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat moet beslissen over het verzoek tot erkenning van een vonnis en tot tenuitvoerlegging van een in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling, aangezien het doel van deze procedure juist is dat de betrokkene niet aan de autoriteiten van laatstgenoemde lidstaat moet worden overgeleverd, maar in de uitvoerende lidstaat blijft om daar zijn straf te ondergaan.
40 Hetzelfde geldt voor de situatie in de uitvaardigende lidstaat op de datum waarop de opschorting van de tenuitvoerlegging is herroepen, wanneer die herroeping is uitgesproken wegens schending van een objectieve voorwaarde die in voorkomend geval aan de oorspronkelijke straf was verbonden, aangezien een dergelijke herroeping een eenvoudige uitvoeringsmaatregel vormt die noch de aard noch de maat van de straf wijzigt [zie in die zin arrest van 23 maart 2023, minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting), C‑514/21 en C‑515/21, EU:C:2023:235, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Indien de herroeping van de opschorting het gevolg is van een nieuwe strafrechtelijke veroordeling, hetgeen de verwijzende rechter in het hoofdgeding dient na te gaan, staat het evenwel aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de situatie te beoordelen die zich voordeed in de uitvaardigende lidstaat tot op het tijdstip van de nieuwe veroordeling waarvan de uitspraak tot die herroeping heeft geleid, en dus het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging van de oorspronkelijke straf mogelijk heeft gemaakt [zie naar analogie arrest van 23 maart 2023, minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting), C‑514/21 en C‑515/21, EU:C:2023:235, punt 67].
42 Gelet op een en ander dient op de eerste tot en met de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909 aldus moeten worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan weigeren de door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer zij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat het recht op een eerlijk proces in die lidstaat ernstige of structurele tekortkomingen vertoont, met name wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties betreft, en er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze gebreken concrete gevolgen kunnen hebben gehad voor de tegen de betrokkene ingestelde strafprocedure. Het staat aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de situatie te beoordelen die zich in de uitvaardigende lidstaat voordeed tot op het tijdstip van de strafrechtelijke veroordeling waarvoor om erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, alsmede, in voorkomend geval, het tijdstip van de nieuwe veroordeling die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting die oorspronkelijk was verbonden aan de straf waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht.
Vierde vraag
43 Gelet op het antwoord op de eerste tot en met de derde vraag, hoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 4, en artikel 8 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,
moeten aldus worden uitgelegd dat
de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan weigeren de door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordeling te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer zij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat het recht op een eerlijk proces in die lidstaat ernstige of structurele tekortkomingen vertoont, met name wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties betreft, en er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze gebreken concrete gevolgen kunnen hebben gehad voor de tegen de betrokkene ingestelde strafprocedure. Het staat aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om de situatie te beoordelen die zich in de uitvaardigende lidstaat voordeed tot op het tijdstip van de strafrechtelijke veroordeling waarvoor om erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, alsmede, in voorkomend geval, het tijdstip van de nieuwe veroordeling die heeft geleid tot de herroeping van de opschorting die oorspronkelijk was verbonden aan de straf waarvan om tenuitvoerlegging wordt verzocht.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21, ECLI:EU:C:2023:235
- HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21, ECLI:EU:C:2022:100
- HvJ EU 17 december 2020, C-354/20, ECLI:EU:C:2020:1033
- HvJ EU 27 mei 2019, C-508/18, ECLI:EU:C:2019:456
- HvJ EU 25 juli 2018, C-216/18, ECLI:EU:C:2018:586
- HvJ EU 10 november 2016, C-452/16, ECLI:EU:C:2016:858
- HvJ EU 5 april 2016, C-404/15, ECLI:EU:C:2016:198