Art. 4, Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat
1. Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:
a) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of
b) de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuurlijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of
c) een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.
2. Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.
3. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat kan vóór de toezending van het vonnis en het certificaat via passende kanalen overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. In de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen is overleg verplicht. In die gevallen brengt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat terstond op de hoogte van haar besluit om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis.
4. Tijdens dit overleg kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bij gemotiveerd advies meedelen, dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet zal bijdragen tot de reclassering en tot een geslaagde maatschappelijke re-integratie van de gevonniste persoon.
Indien er geen overleg heeft plaatsgevonden, kan het advies terstond na de toezending van het vonnis en het certificaat worden meegedeeld. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat neemt het advies in overweging en besluit het certificaat al dan niet in te trekken.
5. De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. Voorts kan de gevonniste persoon de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat of van de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken op grond van dit kaderbesluit een procedure in te stellen voor de toezending van het vonnis en het certificaat. Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.
6. Ter uitvoering van dit kaderbesluit stellen de lidstaten maatregelen vast die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen.
7. Elke lidstaat kan, op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit of op een latere datum, het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat hij, ten aanzien van andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toezending van het vonnis en het certificaat niet afhankelijk stelt van de in lid 1, onder c), bedoelde toestemming, indien:
a) de gevonniste persoon in de tenuitvoerleggingsstaat woont, er sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en er een permanent verblijfsrecht zal verwerven, en/of
b) in de andere dan de in lid 1, onder a) en b), bedoelde gevallen, de gevonniste persoon onderdaan is van de tenuitvoerleggingsstaat.
In de gevallen bedoeld onder a), wordt onder permanent verblijfsrecht verstaan dat de betrokkene:
— het recht van permanent verblijf in de desbetreffende lidstaat heeft, overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van de communautaire wetgeving die op grond van de artikelen 18, 40, 44 en 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is aangenomen, of
— voor de desbetreffende lidstaat over een geldige vergunning als permanent of langdurig ingezetene beschikt, overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van de communautaire wetgeving die op grond van artikel 63 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is aangenomen, in de lidstaten waarop die communautaire wetgeving van toepassing is, dan wel overeenkomstig de nationale wetgeving, in de lidstaten waarop die communautaire wetgeving niet van toepassing is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 14 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1027
- Rb. Den Haag 6 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14028
- Rb. Den Haag 14 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5031
- Rb. Den Haag 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10137
- Rb. Den Haag 24 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9986
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2534
- Rb. Den Haag 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29458
- Rb. Den Haag 8 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11573
- Rb. Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26027
- Rb. Den Haag 22 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12199
- Rb. Den Haag 11 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4410
- Rb. Den Haag 15 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10430
- Rb. Den Haag 27 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:9141
- Rb. Den Haag 3 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2157
- Conclusie A-G Spronken 14 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:327
- Hof Den Haag 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2872
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3551
- Hof Arnhem-Leeuwarden 6 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3549