Art. 15 Verordening (EG) nr. 834/2007, Productievoorschriften voor aquacultuurdieren
1. Naast de algemene landbouwproductievoorschriften van artikel 11 gelden voor de productie van aquacultuurdieren de volgende voorschriften:
a) ten aanzien van de oorsprong van aquacultuurdieren:
i) biologische aquacultuur is gebaseerd op de kweek van jonge bestanden die afkomstig zijn van biologisch reproductiemateriaal en biologische bedrijven;
ii) indien geen jonge bestanden van biologisch reproductiemateriaal of biologische bedrijven beschikbaar zijn, mogen onder specifieke voorwaarden niet-biologisch gekweekte dieren in een bedrijf worden gebracht;
b) ten aanzien van houderijpraktijken:
i) het personeel dat de dieren verzorgt, beschikt over de nodige basiskennis en -vaardigheden wat de gezondheid en de welzijnsbehoeften van de dieren betreft;
ii) de houderijpraktijken, met inbegrip van voederen, het bedrijfsontwerp, de bezettingsdichtheid en waterkwaliteit, waarborgen dat aan de behoeften van de dieren op het gebied van ontwikkeling, fysiologie en gedrag wordt voldaan;
iii) de houderijpraktijken waarborgen dat de negatieve milieueffecten van het bedrijf minimaal zijn, en dat zo weinig mogelijk exemplaren van de gekweekte bestanden ontsnappen;
iv) biologisch gekweekte dieren worden apart gehouden van andere aquacultuurdieren;
v) tijdens het vervoer wordt ervoor gezorgd dat het welzijn van de dieren in stand wordt gehouden;
vi) dierenleed wordt, inclusief bij het slachten, tot een minimum beperkt;
c) ten aanzien van het kweken:
i) er mag geen gebruik worden gemaakt van kunstmatige polyploïdie-inductie, kunstmatige hybridisatie en kloneren, noch van de productie van stammen met uitsluitend exemplaren van hetzelfde geslacht, behoudens door manuele selectie;
ii) er worden passende stammen gekozen;
iii) er worden soortspecifieke voorwaarden voor het reproductiemateriaalbeheer, het kweken en de productie van juvenielen vastgesteld;
d) ten aanzien van het voederen van vis en schaal- en schelpdieren:
i) de dieren worden gevoederd met diervoeder dat voldoet aan de voedingsbehoeften van het dier in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling;
ii) de plantaardige fractie van het diervoeder is afkomstig van biologische productie en de fractie afkomstig van aquatische dieren is afkomstig uit duurzaam geëxploiteerde visbestanden;
iii) niet-biologische voedermiddelen van plantaardige oorsprong, voedermiddelen van dierlijke of minerale oorsprong, toevoegingsmiddelen voor diervoeders, bepaalde in diervoeding gebruikte producten en technische hulpstoffen worden alleen gebruikt indien zij krachtens artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;
iv) er mogen geen groeibevorderaars of synthetische aminozuren worden gebruikt;
e) met betrekking tot tweekleppige weekdieren en andere soorten die niet door de mens worden gevoed maar van natuurlijk plankton leven:
i) dergelijke plaatkieuwigen halen al hun voeding uit de natuur tenzij het gaat om juvenielen in broed- en kweekvoorzieningen;
ii) zij worden gekweekt in wateren die voldoen aan de criteria voor gebieden van klasse A of klasse B zoals omschreven in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 854/2004;
iii) de gebieden waar zij groeien, zijn van zeer goede ecologische kwaliteit zoals omschreven in Richtlijn 2000/60/EG en, in afwachting van de uitvoering van die richtlijn, van gelijke kwaliteit als de aangewezen wateren krachtens Richtlijn 2006/113/EG;
f) ten aanzien van ziektepreventie en diergeneeskundige behandeling:
i) ziektepreventie wordt gebaseerd op optimale houderijomstandigheden, door een passende locatie, een optimaal bedrijfsontwerp, de toepassing van goede houderij- en beheerspraktijken, waaronder het regelmatig schoonmaken en ontsmetten van gebouwen en terreinen, hoogwaardig voeder, een passende bezettingsdichtheid en een adequate selectie van rassen en stammen;
ii) ziekten worden onmiddellijk behandeld om het dier lijden te besparen; zo nodig mogen onder strikte voorwaarden door chemische synthese verkregen allopathische diergeneesmiddelen, waaronder antibiotica, worden gebruikt als het gebruik van fytotherapeutische, homeopathische en andere middelen niet aangewezen is; in het bijzonder worden er beperkingen met betrekking tot behandelingskuren en wachttijden bepaald;
iii) het gebruik van immunologische diergeneesmiddelen is toegestaan;
iv) op basis van communautaire regelgeving opgelegde behandelingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid zijn toegelaten;
g) tijdens het schoonmaken en ontsmetten van bassins, kooien, gebouwen en installaties worden alleen schoonmaak- en ontsmettingsmiddelen gebruikt die krachtens artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.
2. De maatregelen en voorwaarden die nodig zijn voor de uitvoering van de in dit artikel neergelegde productievoorschriften worden vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde procedure.