Art. 14 Verordening (EG) nr. 834/2007, Voorschriften voor de veehouderij
1. Naast de in artikel 11 vastgestelde algemene voorschriften voor de landbouwproductie zijn de volgende voorschriften van toepassing op de biologische veehouderij:
a) ten aanzien van de oorsprong van de dieren:
i) biologisch vee wordt op een biologisch bedrijf geboren en gehouden;
ii) voor de fokkerij mogen onder specifieke voorwaarden ook niet-biologisch gehouden dieren op een bedrijf worden binnengebracht. Deze dieren, en de producten ervan, mogen als biologisch worden beschouwd nadat de omschakelingsperiode zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c), is afgelopen;
iii) dieren die aan het begin van de omschakelingsperiode op een bedrijf worden gehouden, en de producten ervan, mogen als biologisch worden beschouwd nadat de omschakelingsperiode zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c), is afgelopen;
b) ten aanzien van de houderijpraktijken en de huisvestingsvoorwaarden:
i) het personeel dat de dieren verzorgt, beschikt over de nodige basiskennis en -vaardigheden wat de gezondheid en de welzijnsbehoeften van de dieren betreft;
ii) de houderijpraktijken, met inbegrip van bezettingsdichtheid en huisvestingsvoorwaarden, waarborgen dat aan de behoeften van de dieren op het gebied van ontwikkeling, fysiologie en ethologie wordt voldaan;
iii) de dieren hebben permanent toegang tot uitloop in de open lucht, bij voorkeur weidegrond, wanneer de weersomstandigheden en de staat van de grond dit mogelijk maken, tenzij beperkingen en verplichtingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid worden opgelegd op grond van communautaire regelgeving;
iv) het aantal dieren wordt beperkt om overbegrazing, vertrappen van de bodem, erosie, en door de dieren of de verspreiding van hun mest veroorzaakte vervuiling tot een minimum te beperken;
v) biologisch vee wordt apart gehouden van ander vee. Begrazing van gewoon land door biologische dieren en van biologisch land door niet-biologische dieren is echter onder bepaalde beperkende voorwaarden toegestaan;
vi) het aanbinden of isoleren van dieren is verboden, tenzij het gaat om individuele dieren gedurende een beperkte tijd en voor zover deze praktijk gerechtvaardigd is om redenen van veiligheid of welzijn of om veterinaire redenen;
vii) de duur van het vervoer van dieren wordt tot een minimum beperkt;
viii) het lijden van dieren, waaronder verminking, wordt gedurende hun hele leven, inclusief bij het slachten, tot een minimum beperkt;
ix) bijenstallen staan op plaatsen waar de bronnen van nectar en pollen gegarandeerd voornamelijk bestaan uit biologisch geproduceerde gewassen of, in voorkomend geval, spontane vegetatie of niet-biologisch beheerde bossen of gewassen die alleen behandeld worden met methoden met geringe gevolgen voor het milieu. Bijenstallen staan op voldoende afstand van bronnen die tot verontreiniging van de bijenteeltproducten of tot een slechte gezondheid van de bijen kunnen leiden;
x) bijenkasten en materialen die in de bijenhouderij worden gebruikt, zijn hoofdzakelijk van natuurlijke materialen gemaakt;
xi) de vernietiging van bijen in de raten als methode voor de winning van bijenteeltproducten is verboden;
c) ten aanzien van het kweken:
i) voor de voortplanting worden natuurlijke methoden gebruikt. Kunstmatige inseminatie is evenwel toegestaan;
ii) de voortplanting mag niet worden gestimuleerd door behandeling met hormonen of soortgelijke stoffen, tenzij als vorm van diergeneeskundige therapeutische behandeling van een afzonderlijk dier;
iii) andere vormen van kunstmatige voortplanting, zoals klonering en embryotransplantatie, mogen niet worden toegepast;
iv) er worden passende rassen gekozen. De rassenkeuze draagt er ook toe bij dat lijden wordt voorkomen en de noodzaak tot verminking van de dieren wordt vermeden;
d) ten aanzien van het voederen:
i) diervoeder wordt in hoofdzaak verkregen op het bedrijf waar de dieren worden gehouden of bij andere biologische bedrijven in dezelfde regio;
ii) de dieren worden gevoederd met biologisch voeder dat voldoet aan de voedingsbehoeften van het dier in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling. Een deel van het rantsoen mag diervoeder omvatten van landbouwbedrijven die op biologische landbouw aan het omschakelen zijn;
iii) de dieren, bijen uitgezonderd, hebben permanent toegang tot weidegrond of tot ruwvoeder;
iv) niet-biologische voedermiddelen van plantaardige oorsprong, voedermiddelen van dierlijke en minerale oorsprong, toevoegingsmiddelen voor diervoeders, bepaalde in diervoeding gebruikte producten en technische hulpstoffen mogen alleen worden gebruikt indien zij op grond van artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;
v) groeibevorderaars en synthetische aminozuren mogen niet worden gebruikt;
vi) jonge zoogdieren worden met natuurlijke melk, bij voorkeur melk van hun eigen moeder, gevoed;
e) ten aanzien van ziektepreventie en diergeneeskundige behandeling:
i) ziektepreventie wordt gebaseerd op de selectie van rassen en foklijnen, op veehouderijbeheerspraktijken, op hoogwaardig voeder en lichaamsbeweging, op een passende bezettingsdichtheid en op adequate en passende huisvesting onder hygiënische omstandigheden;
ii) ziekten worden onmiddellijk behandeld om het dier lijden te besparen; zo nodig mogen onder strikte voorwaarden door chemische synthese verkregen allopathische diergeneesmiddelen, waaronder antibiotica, worden gebruikt als het gebruik van fytotherapeutische, homeopathische en andere middelen niet aangewezen is; in het bijzonder worden er beperkingen met betrekking tot behandelingskuren en wachttijden bepaald;
iii) het gebruik van immunologische diergeneesmiddelen is toegestaan;
iv) op basis van communautaire regelgeving opgelegde behandelingen in verband met de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid zijn toegelaten;
f) tijdens het schoonmaken en ontsmetten van stallingen en installaties worden alleen schoonmaak- en ontsmettingsmiddelen gebruikt die op grond van artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.
2. De maatregelen en voorwaarden die nodig zijn voor de uitvoering van de in dit artikel neergelegde productievoorschriften worden vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde procedure.