Art. 12 Verordening (EG) nr. 834/2007, Voorschriften voor de plantaardige productie
1. Naast de in artikel 11 vastgestelde algemene voorschriften voor de landbouwproductie zijn de volgende voorschriften van toepassing op de biologische plantaardige productie:
a) gebruik van grondbewerkings- en teeltpraktijken die erop gericht zijn de hoeveelheid organisch bodemmateriaal te handhaven of te doen toenemen, de bodemstabiliteit en de biodiversiteit van de bodem te verbeteren, en bodemverdichting en -erosie te voorkomen;
b) de vruchtbaarheid en de biologische activiteit van de bodem worden gehandhaafd en verbeterd door meerjarige vruchtwisseling, met onder meer leguminosen en andere groenbemestingsgewassen, en door toepassing van dierlijke mest of organisch materiaal, bij voorkeur gecomposteerd, van biologische productie;
c) het gebruik van biodynamische preparaten is toegestaan;
d) daarnaast worden alleen meststoffen en bodemverbeteraars gebruikt die krachtens artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;
e) minerale stikstofmeststoffen worden niet gebruikt;
f) bij de voor plantaardige productie gebruikte technieken wordt elke bijdrage aan milieuvervuiling voorkomen of zo veel mogelijk beperkt;
g) voor het voorkomen van schade door plagen, ziekten en onkruid wordt vooral vertrouwd op de bescherming van natuurlijke vijanden, de keuze van soorten en rassen, op vruchtwisseling, teelttechnieken en thermische processen;
h) wanneer een bedreiging van een gewas is vastgesteld, worden alleen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt die krachtens artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;
i) voor de productie van andere producten dan zaden en vegetatief teeltmateriaal wordt alleen biologisch geproduceerd zaad en biologisch geproduceerd teeltmateriaal gebruikt. Hiertoe zijn de moederplant in het geval van zaad en de uitgangsplant in het geval van vegetatief teeltmateriaal ten minste één generatie of, in het geval van blijvende teelten, twee teeltseizoenen lang geproduceerd overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorschriften;
j) bij plantaardige productie worden alleen schoonmaak- en ontsmettingsmiddelen gebruikt die op grond van artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.
2. De vergaring van wilde planten en van delen daarvan die op natuurlijke wijze in natuurgebieden, bossen en landbouwgebieden groeien, wordt als een biologische productiemethode beschouwd, op voorwaarde dat:
a) die gebieden in ten minste de laatste drie jaar vóór de vergaring niet zijn behandeld met andere dan krachtens artikel 16 voor gebruik in de biologische productie toegelaten producten;
b) de vergaring de stabiliteit van de natuurlijke habitat en de instandhouding van de soorten in het betrokken gebied niet nadelig beïnvloedt.
3. De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van de in dit artikel neergelegde productievoorschriften worden vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde procedure.