Art. 13 Verordening (EG) nr. 834/2007, Productievoorschriften voor zeewier
1. De vergaring van wild zeewier en van delen daarvan, dat op natuurlijke wijze in de zee groeit, wordt als een biologische productiemethode beschouwd, op voorwaarde dat:
a) de gebieden waar het zeewier groeit, van zeer goede ecologische kwaliteit zijn zoals omschreven in Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (15) en, in afwachting van de uitvoering van die richtlijn, van gelijke kwaliteit als de aangewezen wateren krachtens Richtlijn 2006/113/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (16) en uit gezondheidsoogpunt niet ongeschikt zijn. In afwachting van meer gedetailleerde voorschriften die in de uitvoeringswetgeving moeten worden vastgesteld, mag wild eetbaar zeewier niet worden vergaard in gebieden die niet voldoen aan de criteria voor gebieden van klasse A of klasse B zoals omschreven in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (17);
b) de vergaring de langetermijnstabiliteit van de natuurlijke habitat en de instandhouding van de soorten in het betrokken gebied niet nadelig beïnvloedt.
2. Het kweken van zeewier geschiedt in kustwateren met milieu- en gezondheidskenmerken die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in lid 1 beschreven kenmerken waaraan zeewier moet voldoen om als biologisch te worden beschouwd. Voorts worden de volgende voorschriften in acht genomen:
a) in alle stadia van de productie, van het vergaren van juveniel zeewier tot de oogst, worden duurzame praktijken gehanteerd;
b) om de instandhouding van een brede genetische diversiteit te garanderen, wordt geregeld juveniel zeewier in het wild vergaard als aanvulling op binnenkweekbestanden;
c) meststoffen mogen niet worden gebruikt, tenzij in binnenfaciliteiten en mits zij daartoe krachtens artikel 16 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten.
3. De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van de in dit artikel neergelegde productievoorschriften worden vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde procedure.