Art. 13 Richtlijn 2006/49/EG
1. Met inachtneming van het bepaalde in de leden 2 tot en met 5 en in de artikelen 14 tot en met 17 wordt het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen berekend in overeenstemming met Richtlijn 2006/48/EG.
De eerste alinea is bovendien van toepassing op beleggingsondernemingen met een andere rechtsvorm dan die welke worden genoemd in artikel 1, lid 1, van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (11).
2. In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen die moeten voldoen aan de volgens de artikelen 21 en 28 tot en met 32 en de bijlagen I en III tot en met VI berekende kapitaalvereisten, toestaan om uitsluitend daartoe een alternatieve berekening van het eigen vermogen te hanteren. Van het daarvoor bestemde eigen vermogen mag geen bestanddeel tegelijkertijd worden gebruikt om aan andere kapitaalvereisten te voldoen.
Deze alternatieve berekening is het totaal van de onderstaande bestanddelen a) tot en met c) van deze alinea, minus bestanddeel d); de aftrek van dit bestanddeel wordt ter keuze van de bevoegde autoriteiten gelaten:
a) het eigen vermogen als gedefinieerd in Richtlijn 2006/48/EG, met uitsluiting van alleen de punten l) tot en met p) van artikel 57 van die richtlijn voor beleggingsondernemingen die onderstaand bestanddeel d) van het totaal van de bestanddelen a) tot en met c) van deze alinea moeten aftrekken;
b) de nettowinst uit de handelsportefeuille van de instelling, na aftrek van alle te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden, min de nettoverliezen over de rest van haar bedrijf, mits geen van deze bedragen reeds in aanmerking is genomen in bestanddeel a) van deze alinea als één van de bestanddelen van artikel 57, punt b) of k), van Richtlijn 2006/48/EG;
c) achtergestelde leningen, en/of de in lid 5 van dit artikel vermelde bestanddelen, met inachtneming van de in de leden 3 en 4 van dit artikel en artikel 14 hieronder vermelde voorwaarden; en
d) niet-liquide activa in de zin van artikel 15.
3. De in lid 2, tweede alinea, onder c), bedoelde achtergestelde leningen moeten een oorspronkelijke looptijd van ten minste twee jaar hebben. Zij moeten volledig gestort zijn en de leningovereenkomst mag geen clausule bevatten op grond waarvan de schuld onder bepaalde omstandigheden, met uitzondering van de liquidatie van de instelling, vóór de overeengekomen aflossingsdatum moet worden afgelost, tenzij de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. Noch de hoofdsom, noch de interest van deze achtergestelde leningen mogen worden afgelost indien zulks zou betekenen dat het eigen vermogen van de betrokken instelling tot minder dan 100 % van de totale kapitaalsvereisten voor de instelling zou dalen.
Daarenboven stellen de instellingen de bevoegde autoriteiten in kennis van alle aflossingen op deze achtergestelde leningen zodra het eigen vermogen van de instelling tot onder de 120 % van het totale kapitaal vereiste voor de instelling daalt.
4. De in lid 2, tweede alinea, onder c), bedoelde achtergestelde leningen mogen niet meer belopen dan maximaal 150 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om te voldoen aan de vereisten berekend overeenkomstig de artikelen 21 en 28 tot en met 32 en de bijlagen I tot en met VI en mogen dit maximum uitsluitend benaderen in voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbare bijzondere omstandigheden.
5. De bevoegde autoriteiten mogen instellingen toestaan om de in lid 2, tweede alinea, onder c), bedoelde achtergestelde leningen te vervangen door de bestanddelen bedoeld in artikel 57, onder d) tot en met h), van Richtlijn 2006/48/EG.