Art. 10 Richtlijn 2006/49/EG

Richtlijn 2006/49/EG

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 mogen de lidstaten de vergunning handhaven voor beleggingsondernemingen en onder artikel 6 vallende ondernemingen die vóór 31 december 1995 bestonden, en waarvan het eigen vermogen geringer is dan de voor hen in artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 genoemde bedragen van het aanvangskapitaal.

Het eigen vermogen van al deze ondernemingen mag niet kleiner worden dan het hoogste referentieniveau dat sinds de datum van kennisgeving van Richtlijn 93/6/EEG is berekend. Het referentieniveau is het daggemiddelde van het eigen vermogen, berekend over de zes maanden voorafgaande aan de datum van berekening. Dit referentieniveau wordt om de zes maanden berekend voor de overeenkomstige voorafgaande periode.

2. Indien de zeggenschap over een beleggingsonderneming die onder lid 1 valt, wordt verworven door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over de onderneming uitoefende, dient het eigen vermogen van deze onderneming ten minste gelijk te zijn aan de in artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 gestelde bedragen, behalve in het geval van de eerste overdracht door vererving gedaan na 31 december 1995, onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en gedurende niet meer dan tien jaar na de datum van de overdracht.

3. In welbepaalde omstandigheden, en met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, behoeft bij een fusie tussen twee of meer beleggingsondernemingen en/of onder artikel 6 vallende ondernemingen, het eigen vermogen van de onderneming die het resultaat van de fusie is, niet de in artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 gestelde bedragen te bereiken. Gedurende de periode dat de in artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 gestelde bedragen niet zijn bereikt, mag het eigen vermogen van de nieuwe onderneming echter niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde ondernemingen op het tijdstip van de fusie.

4. Het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en onder artikel 6 vallende ondernemingen mag niet kleiner worden dan de in artikel 5, leden 1 en 3, de artikelen 6 en 9, en leden 1 en 3 van dit artikel, gestelde bedragen.

Indien het eigen vermogen van die ondernemingen en van beleggingsondernemingen onder dat niveau vallen, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, die ondernemingen een beperkte termijn toestaan om aan deze eis te voldoen dan wel hun werkzaamheden stop te zetten.

Vorige artikelen

Volgende artikelen