Art. 84 Richtlijn 2006/48/EG
1. De bevoegde autoriteiten mogen met inachtneming van het bepaalde in deze onderafdeling een kredietinstelling toestemming verlenen om haar risicogewogen posten te berekenen aan de hand van de interne-ratingbenadering (IRB). Voor elke kredietinstelling is uitdrukkelijke toestemming vereist.
2. Er wordt alleen toestemming verleend als de bevoegde autoriteit zich ervan heeft overtuigd dat de in de kredietinstelling gehanteerde systemen voor het beheer en de rating van kredietrisico's solide zijn, zorgvuldig worden toegepast en met name aan de volgende normen van bijlage VII, deel 4 voldoen:
a) de ratingsystemen van de kredietinstelling maken een bruikbare beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken, een bruikbare risicodifferentiatie en precieze en samenhangende kwantitatieve risicoramingen mogelijk;
b) de voor de berekening van de kapitaalvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van de omvang van het kredietverzuim en de verliezen, alsmede de daarmee samenhangende systemen en procedures spelen een essentiële rol bij het risicobeheer en de besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne kapitaalallocatie en corporate governance van de kredietinstelling;
c) de kredietinstelling heeft een voor haar ratingsystemen verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en niet al te sterk kan worden beïnvloed;
d) de kredietinstelling verzamelt alle gegevens aan de hand waarvan de kredietrisico's effectief kunnen worden gemeten en beheerd, en slaat deze gegevens op; en
e) de kredietinstelling legt haar ratingsystemen schriftelijk vast, geeft aan waarom ze zo zijn opgezet en valideert ze.
Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of een financiële EU-moederholding en haar dochterondernemingen de IRB centraal toepassen, kunnen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat de moeder- en dochteronderneming samen voldoen aan de in bijlage VII, deel 4, vermelde minimumvereisten.
3. Een kredietinstelling die een aanvraag indient om de IRB te mogen toepassen, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij daartoe het recht krijgt, voor de desbetreffende IRB-categorieën van vorderingen ratingsystemen hanteert die in grote lijnen in overeenstemming zijn met de in bijlage VII, deel 4 vermelde minimumvereisten voor de meting en het beheer van interne risico's.
4. Een kredietinstelling die een aanvraag indient om gebruik te mogen maken van eigen ramingen van LGD's en/of omrekeningsfactoren, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij daartoe het recht krijgt, eigen ramingen van LGD's en/of omrekeningsfactoren samenstelt en daarvan gebruikmaakt, en wel op een wijze die in grote lijnen in overeenstemming is met de in bijlage VII, deel 4 vermelde minimumvereisten voor het gebruik van eigen ramingen van de desbetreffende parameters.
5. Als een kredietinstelling niet meer voldoet aan de in deze onderafdeling vermelde vereisten, wordt door haar ofwel bij de bevoegde autoriteit een plan ingediend om tijdig terug te keren naar de oude situatie, ofwel aangetoond dat de afwijkende situatie geen noemenswaardige gevolgen heeft.
6. Als de EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de financiële EU-moederholding en haar dochteronderneming de IRB willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, en wel op basis van de voorschriften van de artikelen 129 tot en met 132.