Art. 80 Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG

1. Voor de berekening van de risicogewogen posten worden risicogewichten toegepast op alle vorderingen, tenzij deze op basis van bijlage VI, deel 1, in mindering worden gebracht op het eigen vermogen. Het risicogewicht dat wordt toegepast, hangt af van de categorie waarin de vordering is ondergebracht, en (in de mate als bepaald in bijlage VI, deel 1) van de kredietkwaliteit ervan. Voor de bepaling van de kredietkwaliteit mogen de kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI's), mits de artikelen 81 tot en met 83 in acht worden genomen, of de kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen, zoals beschreven in bijlage VI, deel 1, worden gebruikt.

2. Voor de toepassing van een risicogewicht als bedoeld in lid 1, wordt de waarde van de post vermenigvuldigd met het risicogewicht dat op basis van deze onderafdeling is voorgeschreven of vastgesteld.

3. Bij vorderingen op instellingen beslissen de lidstaten of bij de berekening van de risicogewogen posten wordt uitgegaan van de kredietkwaliteit van de centrale overheid van het rechtsgebied waarin de instelling haar statutaire zetel heeft, of — overeenkomstig bijlage VI — van de kredietkwaliteit van de instelling van de tegenpartij.

4. Niettegenstaande lid 1 mag het risicogewicht van een vordering die door kredietprotectie is gegarandeerd, op basis van onderafdeling 3 worden aangepast.

5. Bij gesecuritiseerde vorderingen worden de risicogewogen posten berekend op basis van onderafdeling 4.

6. Vorderingen waarvoor in deze afdeling geen voorschriften voor de berekening van de risicogewogen posten zijn vastgesteld, krijgen een risicogewicht van 100 %.

7. Met uitzondering van vorderingen waardoor verplichtingen ontstaan in de vorm van de in artikel 57, punten a) tot h), genoemde bestanddelen, mogen de bevoegde autoriteiten de vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming, dan wel een onderneming die is verbonden door een relatie zoals bedoeld in artikel 12, lid 1 van Richtlijn 83/349/EEG is, vrijstellen van het bepaalde in lid 1 van het onderhavige artikel, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de tegenpartij is een instelling of een financiële holding, financiële instelling, vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop prudentiële voorschriften van toepassing zijn;

b) de tegenpartij en de kredietinstelling zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie;

c) de tegenpartij is onderworpen aan dezelfde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures als de kredietinstelling;

d) de tegenpartij is gevestigd in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling; en

e) er is geen feitelijke of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva door de tegenpartij aan de kredietinstelling kan verhinderen.

In een dergelijk geval wordt een risicogewicht van 0 % toegepast.

8. Met uitzondering van vorderingen waardoor verplichtingen ontstaan in de vorm van de in artikel 57, punten a) to h), genoemde bestanddelen, mogen de bevoegde autoriteiten de vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die behoort tot hetzelfde institutioneel protectiestelsel als de kredietinstelling die de lening verstrekt, vrijstellen van de eisen in lid 1 van het onderhavige artikel, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de vereisten zoals bedoeld in de punten a), d) en e) van lid 7;

b) de kredietinstelling en de debiteuren zijn een contractuele of verplichte aansprakelijkheidsregeling aangegaan waardoor deze instellingen beschermd worden en waardoor, zo nodig, met name hun liquiditeit en solventie beschermd worden om faillissement te voorkomen (hierna institutioneel protectiestelsel genoemd);

c) door de regelingen wordt gewaarborgd dat het institutioneel protectiestelsel in staat is uit fondsen waarover het vrijelijk kan beschikken, de steun te verlenen die noodzakelijk is in het kader van zijn toezegging;

d) het in punt b) bedoelde institutioneel protectiestelsel beschikt over geschikte en in uniforme regels voorgeschreven systemen voor het toezicht op en de classificering van risico's (die een compleet overzicht bieden van de risicosituatie van de individuele leden en van het institutioneel protectiestelsel als geheel) met dienovereenkomstige mogelijkheden tot ingrijpen; via deze systemen worden overeenkomstig bijlage VII, deel 4, punt 44 vorderingen met een betalingsachterstand bewaakt;

e) het institutioneel protectiestelsel voert zijn eigen risico-onderzoek uit waarvan de resultaten aan de individuele leden worden medegedeeld;

f) het institutioneel protectiestelsel formuleert en publiceert ten minste één maal per jaar een geconsolideerd verslag met de balans, de winst- en verliesrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel, dan wel een verslag met de geaggregeerde balans, de geaggregeerde winst- en verliesrekening, het verslag over de situatie en het risicoverslag van het institutioneel protectiestelsel als geheel;

g) indien de deelnemers aan het institutioneel protectiestelsel voornemens zijn de regeling te beëindigen, moeten zij dit ten minste 24 maanden van tevoren kenbaar maken;

h) het meervoudige gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen („multiple gearing”), alsook het op enigerlei wijze creëren van eigen vermogen tussen de leden van het institutioneel protectiestelsel, wordt afgeschaft;

i) het institutioneel protectiestelsel is gebaseerd op breed lidmaatschap van kredietinstellingen met een voornamelijk homogeen bedrijfsprofiel, en

j) de toereikendheid van de in punt d) bedoelde systemen moet worden goedgekeurd en regelmatig gecontroleerd door de ter zake bevoegde autoriteiten.

In dergelijke gevallen wordt een risicogewicht van 0 % toegepast.