Art. 89 Richtlijn 2006/48/EG
1. Kredietinstellingen die bij de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor een of meer categorieën vorderingen de IRB mogen hanteren, mogen, mits de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan, onderafdeling 1 toepassen op:
a) de in artikel 86, lid 1, onder a), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren;
b) de in artikel 86, lid 1, onder b), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren;
c) vorderingen in verband met niet-belangrijke bedrijfsactiviteiten en in categorieën die geen noemenswaardige omvang hebben en waarvan het risicoprofiel als laag wordt aangemerkt;
d) vorderingen op de centrale overheid, regionale overheden, lagere overheden en administratieve organen in de lidstaat van herkomst, mits:
i) er op grond van bepaalde publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico bestaat tussen de vorderingen op de centrale overheid en de andere vorderingen; en
ii) vorderingen op de centrale overheid ingevolge onderafdeling 1 vergezeld gaan van een risicogewicht van 0 %;
e) vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, mits het bij deze tegenpartij om een instelling of een financiële holding, een financiële instelling, een vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming gaat waarop prudentiële voorschriften van toepassing zijn of een onderneming waarmee een betrekking bestaat zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG en vorderingen tussen kredietinstellingen die voldoen aan de eisen bepaald in artikel 80, lid 8;
f) posities in aandelen van entiteiten waarvan de kredietverplichtingen ingevolge onderafdeling 1 voor een risicogewicht van 0 % in aanmerking komen (daartoe behoren ook met overheidsgeld gefinancierde entiteiten waarvoor een risicogewicht van 0 % geldt);
g) posities in aandelen die zijn ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma's waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij de kredietinstelling omvangrijke subsidies ontvangt voor haar belegging en de beleggingen op de een of andere wijze onderworpen zijn aan overheidstoezicht en restricties. In totaal mag hiermee niet meer dan in totaal 10 % van het oorspronkelijke eigen vermogen plus het aanvullende eigen vermogen gemoeid zijn;
h) de in bijlage VI, deel 1, punt 40 vermelde vorderingen die aan de daarin gestelde voorwaarden voldoen; of
i) overheidsgaranties en door de overheid herverzekerde garanties overeenkomstig bijlage VIII, deel 2, punt 19.
De bevoegde autoriteiten van andere lidstaten mogen op grond van het bepaalde in dit lid niet weigeren akkoord te gaan met de toepassing van de regels van onderafdeling op posities in aandelen als deze posities in andere lidstaten al zo behandeld mogen worden.
2. Voor de toepassing van lid 1 worden posities in aandelen van een kredietinstelling als omvangrijk beschouwd als de totale waarde ervan exclusief de onder lid 1, onder g), genoemde posities in aandelen die zijn ingenomen in het kader van wetgevingsprogramma's in het voorgaande jaar gemiddeld meer dan 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling bedraagt. Als in minder dan tien individuele bedrijven een positie in aandelen is opgebouwd, bedraagt de drempel 5 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling.