Art. 79 Richtlijn 2006/48/EG
1. Elke vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:
a) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden of centrale banken;
b) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op regionale of lagere overheden;
c) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op administratieve organen en niet-commerciële ondernemingen;
d) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken;
e) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op internationale organisaties;
f) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op instellingen;
g) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen;
h) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op particulieren en kleine partijen;
i) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen die zijn gegarandeerd door onroerend goed;
j) posten waarvoor sprake is van een betalingsachterstand;
k) posten met een hoog risico;
l) vorderingen in de vorm van obligaties met zekerheidsstelling;
m) securitisatieposities;
n) kortlopende vorderingen op instellingen en ondernemingen;
o) vorderingen in de vorm van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging; of
p) overige posten.
2. Om in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen, als bedoeld in lid 1, onder h), ondergebracht te kunnen worden, voldoet een vordering aan de volgende voorwaarden:
a) zij moet betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming;
b) zij moet deel uitmaken van een groot pakket vorderingen met ongeveer dezelfde kenmerken zodat het risico dat aan dergelijke leningen verbonden is, aanzienlijk wordt beperkt; en
c) het totale bedrag dat de debiteur of groep van verbonden cliënten aan de kredietinstelling en moederondernemingen en haar dochterondernemingen verschuldigd is, maar exclusief schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, mag met inbegrip van de achterstallige posten voor zover de kredietinstelling weet, niet meer dan 1 miljoen EUR bedragen. De kredietinstelling moet stappen zetten om zich te overtuigen van de juistheid van deze informatie.
Effecten kunnen niet worden ondergebracht in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen.
3. De actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met consumptieve leasing kan worden ingedeeld bij de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen.