Art. 86 Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG

1. Elke vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

a) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden en centrale banken;

b) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op instellingen;

c) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen;

d) vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op particulieren en op kleine partijen;

e) posities in aandelen;

f) securitisatieposities; of

g) andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen.

2. De volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op centrale overheden en centrale banken:

a) vorderingen op regionale, lagere overheden of publiekrechtelijke lichamen die in het kader van onderafdeling 1 worden behandeld als vorderingen op centrale overheden; en

b) vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties die in het kader van onderafdeling 1 een risicogewicht van 0 % krijgen.

3. De volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op instellingen:

a) vorderingen op regionale en lagere overheden die in het kader van onderafdeling 1 niet worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

b) vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die in het kader van onderafdeling 1 worden behandeld als vorderingen op instellingen; en

c) vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken die in het kader van onderafdeling 1 geen risicogewicht van 0 % krijgen.

4. Om in de categorie vorderingen op particulieren en op kleine partijen, als bedoeld in lid 1, onder d), ondergebracht te kunnen worden, voldoen de vorderingen aan de volgende voorwaarden:

a) zij moeten betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming. In het laatste geval bedraagt het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden cliënten verschuldigd is aan de kredietinstelling en aan moederondernemingen en hun dochterondernemingen, met inbegrip van de achterstallige posten, maar exclusief schuldvorderingen of voorwaardelijke vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed, voorzover de kredietinstelling weet, niet meer dan 1 miljoen EUR. De kredietinstelling moet wel stappen hebben gezet om zich te overtuigen van de juistheid van deze informatie;

b) ze worden in het interne risicobeheer van de kredietinstelling in de tijd gezien consistent en op dezelfde wijze behandeld;

c) ze worden niet zo exact op individuele basis beheerd, zoals in de categorie vorderingen op ondernemingen wel gebeurt; en

d) ze maken elk deel uit van een groot aantal op vergelijkbare wijze beheerde vorderingen.

De actuele waarde van de minimale leasebetalingen in verband met leasing aan particulieren en kleine partijen kan worden ingedeeld bij de categorie vorderingen op particulieren en op kleine partijen.

5. De volgende vorderingen worden als posities in aandelen geclassificeerd:

a) andere posities dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of het vermogen van de uitgevende instelling vormen; en

b) schuldvorderingen waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de vorderingen die onder a) zijn genoemd.

6. Vorderingen in de categorie vorderingen op ondernemingen worden door de kredietinstellingen apart geregistreerd als vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als ze de volgende kenmerken bezitten:

a) de vordering heeft betrekking op een entiteit die speciaal is opgericht om materiële activa te financieren en/of te beheren;

b) in het contract is geregeld dat de kredietverlener een grote zeggenschap heeft over de activa en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd; en

c) de afbetaling van de verplichting is vooral gerelateerd aan de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de algemene capaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming.

7. Kredietverplichtingen die niet zijn ondergebracht in een onder a), b) of d) tot en met f) van lid 1, genoemde categorie, vallen onder de in dat lid, onder c), genoemde categorie.

8. De onder g) van lid 1 genoemde categorie van vorderingen omvat ook de restwaarde van geleasd onroerend goed, wanneer dit niet onder vorderingen uit hoofde van een lease-overeenkomst zoals bedoeld in bijlage VII, deel 3, punt 4, valt.

9. Voor de onderbrenging van de vorderingen in de verschillende categorieën past de kredietinstelling een geschikte, in de tijd gezien consistente methodiek toe.