Art. 87 Richtlijn 2006/48/EG
1. De voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met e) en g), genoemde categorieën vallen, worden, als ze niet op het eigen vermogen in mindering worden gebracht, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 1 tot en met 27.
2. De voor het verwateringsrisico gewogen posten die verband houden met gekochte kortlopende vorderingen, worden berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 28. Indien een kredietinstelling ten aanzien van gekochte kortlopende vorderingen wegens het wanbetalingsrisico en verwateringsrisico volledig verhaal kan vorderen op de verkoper van de gekochte kortlopende vorderingen, hoeven de bepalingen van de artikelen 87 en 88 betreffende gekochte kortlopende vorderingen niet te worden toegepast. De vordering kan in plaats daarvan worden behandeld als een door zekerheden afgedekte vordering.
3. Bij de berekening van voor het krediet- en het verwateringsrisico gewogen posten wordt uitgegaan van de parameters voor de desbetreffende vordering. Daaronder vallen de kans op wanbetaling (PD), LGD, de looptijd (M) en de waarde van de post. Overeenkomstig bijlage VII, deel 2, mogen de PD en het LGD apart of gezamenlijk in aanmerking worden genomen.
4. Onverminderd lid 3 worden de voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met alle posities die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 17 tot en met 26, mits de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan. De bevoegde autoriteiten verlenen een kredietinstelling alleen toestemming om de benadering zoals uiteengezet in bijlage VII, deel 1, punten 25 en 26, toe te passen als de kredietinstelling voldoet aan de in bijlage VII, deel 4, punten 115 tot en met 123 vermelde minimumvereisten.
5. Onverminderd lid 3 mogen voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, worden berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 6. De bevoegde autoriteiten maken richtsnoeren bekend voor de wijze waarop de kredietinstellingen in het kader van bijlage VII, deel 1, punt 6, risicogewichten dienen toe te kennen aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, en verlenen hun goedkeuring aan de door de kredietinstellingen daarvoor gebruikte methodieken.
6. Voor vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met d), genoemde categorieën vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van PD's op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.
7. Voor vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder d), genoemde categorie vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren op op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.
8. Op vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, passen de kredietinstellingen de LGD-waarden van bijlage VII, deel 2, punt 8, en de omrekeningsfactoren van bijlage VII, deel 3, punt 9, onder a) tot en met d), toe.
9. Onverminderd lid 8 mogen de bevoegde autoriteiten aan de kredietinstellingen toestemming verlenen om voor alle vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, gebruik te maken van eigen ramingen van LGD's en omrekeningsfactoren op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.
10. De risicogewogen posten voor gesecuritiseerde vorderingen en voor vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder f), genoemde categorie vallen, worden berekend op basis van onderafdeling 4.
11. Als vorderingen in de vorm van een instelling voor collectieve belegging (ICB) voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 77 en 78, en de kredietinstelling op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van de ICB, controleert de kredietinstelling deze vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de methodieken die in deze onderafdeling worden beschreven.
Als de kredietinstelling niet voldoet aan de voorwaarden om de in deze onderafdeling beschreven methodieken te mogen gebruiken, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:
a) bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, wordt de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21, gehanteerd. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;
b) bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in onderafdeling 1 beschreven benadering gehanteerd. Deze wijkt echter op de volgende punten af:
i) de vorderingen worden in de geschikte categorie ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de kredietkwaliteitscategorie boven de kredietkwaliteitscategorie waarin de vordering normaal gesproken zou zijn ondergebracht;
ii) vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitscategorie en normaal gesproken een risicogewicht van 150 % zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200 %.
12. Als vorderingen in de vorm van een ICB niet voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 77 en 78, of de kredietinstelling niet op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van de ICB, controleert de kredietinstelling de onderliggende vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de benadering die is beschreven in bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen. Daartoe worden vorderingen waarbij het niet om posities in aandelen gaat, ondergebracht in een van de in bijlage VII, deel 1, punt 19, genoemde categorieën (posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen).
Als alternatief voor de bovenbeschreven methodiek kunnen kredietinstellingen aan een derde opdracht geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen op de ICB te berekenen en hen van de resultaten op de hoogte te brengen, of zij kunnen deze posten zelf berekenen. Wel moet voldoende gewaarborgd zijn dat de berekening en de rapportage volgens de regels plaatsvinden. Voor de berekeningen worden de volgende benaderingen gevolgd:
a) bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 19 tot en met 21. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen; of
b) bij alle overige onderliggende vorderingen de in onderafdeling 1 beschreven benadering, die echter op de volgende punten afwijkt:
i) de vorderingen worden in de geschikte categorie ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de kredietkwaliteitscategorie boven de kredietkwaliteitscategorie waarin de vordering normaal gesproken zou zijn ondergebracht; en
ii) vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitscategorie en normaal gesproken een risicogewicht van 150 % zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200 %.