Art. 111 Richtlijn 2006/48/EG
1. Een kredietinstelling mag ten opzichte van één cliënt of een groep van verbonden cliënten geen positie innemen met een totale waarde van meer dan 25 % van haar eigen vermogen.
2. Indien de cliënt of groep van verbonden cliënten de moederonderneming of dochteronderneming van de kredietinstelling en/of een of meer van de dochterondernemingen van deze moederonderneming is, wordt het in lid 1 genoemde percentage verlaagd tot 20 %. De lidstaten behoeven deze grenswaarde van 20 % echter niet op de posities ten opzichte van deze cliënten toe te passen indien zij die posities via andere maatregelen of procedures aan bijzonder toezicht onderwerpen. Zij stellen de Commissie en het Europees Comité voor het bankwezen in kennis van de strekking van deze maatregelen of procedures.
3. Een kredietinstelling mag geen grote posities innemen waarvan de totale waarde meer dan 800 % van haar eigen vermogen bedraagt.
4. Een kredietinstelling moet met betrekking tot de door haar ingenomen posities doorlopend de in de leden 1, 2 en 3 bepaalde grenswaarden in acht nemen. Indien de ingenomen posities in een uitzonderlijk geval de genoemde grenswaarden toch overschrijden, moet dit onverwijld worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om alsnog aan de grenswaarden te voldoen.