Art. 110 Richtlijn 2006/48/EG

Richtlijn 2006/48/EG

1. De grote posities worden door de kredietinstelling aan de bevoegde autoriteiten gemeld.

De lidstaten bepalen dat deze melding, naar hun keuze, plaatsvindt volgens een van de volgende twee formules:

a) melding van alle grote posities ten minste eenmaal per jaar, gecombineerd met mededeling in de loop van het jaar van alle nieuwe grote posities en van een toeneming van bestaande grote posities met ten minste 20 % ten opzichte van de laatste mededeling; of

b) melding van alle grote posities ten minste viermaal per jaar.

2. Behalve bij kredietinstellingen die gebruikmaken van artikel 114 wat betreft de inaanmerkingneming van zekerheden bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van de leden 1, 2, en 3 van artikel 111, behoeft melding in de zin van lid 1 van dit artikel niet plaats te vinden voor posities die op grond van artikel 113, lid 3, onder a) tot d) en f) tot h), zijn vrijgesteld. Voor de posities die in artikel 113, lid 3, onder e) en i) in de artikelen 115 en 116 worden bedoeld, hoeft de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde melding slechts tweemaal per jaar plaats te vinden.

Wanneer een kredietinstelling gebruikmaakt van dit lid, dient zij de gegevens omtrent de beweegredenen daarvoor gedurende een jaar na het tot ontheffing aanleiding gevende feit te bewaren, teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de rechtmatigheid daarvan te verifiëren.

3. De lidstaten mogen de eis opleggen dat kredietinstellingen hun posities jegens uitgevers van zekerheden analyseren op eventuele concentraties en zo nodig ingrijpen of bevindingen van betekenis doorgeven aan hun bevoegde instantie.