Art. 113 Richtlijn 2006/48/EG
1. De lidstaten mogen striktere grenswaarden vaststellen dan de in artikel 111 vermelde grenswaarden.
2. De lidstaten mogen van de toepassing van artikel 111, leden 1, 2 en 3, geheel of gedeeltelijk vrijstellen de posities die door een kredietinstelling zijn ingenomen ten opzichte van haar moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voorzover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in een derde land geldende gelijkwaardige normen.
3. De lidstaten mogen de volgende posities geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van artikel 111:
a) activa die vorderingen vertegenwoordigen op centrale overheden of centrale banken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;
b) activa die vorderingen vertegenwoordigen op internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;
c) activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of publiekrechtelijke lichamen; voorwaarde is wel dat niet gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de garantie verstrekt, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;
d) andere vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of publiekrechtelijke lichamen; voorwaarde is wel dat niet-gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de debiteur dan wel de garantiegever is, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zouden krijgen;
e) niet onder a) bedoelde activa die vorderingen op en andere posities jegens centrale overheden of centrale banken vertegenwoordigen, luidende en in voorkomend geval gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer;
f) activa en andere posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van schuldtitels die door de centrale overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of door de regionale of lagere overheden dan wel publiekrechtelijke lichamen van een lidstaat zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende instellingen ervan, mits deze vordering ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % zou krijgen;
g) activa en andere posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van deposito's in contanten bij de leningverstrekkende kredietinstelling, of bij een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is;
h) activa en andere posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van depositocertificaten die zijn uitgegeven door de leningverstrekkende kredietinstelling of door een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende kredietinstelling is, en die bij een van deze zijn gedeponeerd;
i) activa die vorderingen op en andere posities jegens instellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van ten hoogste één jaar en die geen eigen vermogen van die instellingen vormen;
j) activa die vorderingen op en andere posities jegens instellingen die geen kredietinstelling zijn, maar voldoen aan de voorwaarden van bijlage VI, deel 1, punt 85, met een looptijd van ten hoogste één jaar vertegenwoordigen welke gegarandeerd zijn overeenkomstig het voornoemd punt;
k) wissels en promessen met een looptijd van ten hoogste één jaar die de handtekening van een andere kredietinstelling dragen;
l) gedekte obligaties in de zin van bijlage VI, deel 1, punten 68 tot en met 70;
m) tot aan een latere coördinatie, deelnemingen in verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 122, lid 1 tot een maximum van 40 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling die de deelneming houdt;
n) activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of centrale kredietinstellingen waarmede de leningverstrekkende kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;
o) posities die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door zekerheden in de vorm van andere effecten dan die bedoeld onder f);
p) leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, zijn gegarandeerd door een hypotheek op woningen of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving, en transacties inzake financieringshuur (leasing) voor woningen krachtens welke de lessor de volledige eigendom van de verhuurde woning behoudt zolang de huurder (lessee) zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50 % van de waarde van de betrokken woning;
q) posities die ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 50 % zouden krijgen; voorwaarde is wel dat tot 50 % van de waarde van het desbetreffende onroerend goed in aanmerking wordt genomen en:
i) de posities gegarandeerd zijn door een hypotheek op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving die betrekking heeft op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden; en
ii) de posities verband houden met transacties inzake onroerende financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden.
Voor de toepassing van punt ii) mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kredietinstellingen tot en met 31 december 2011 toestemming verlenen om 100 % van de waarde van het desbetreffende onroerend goed in aanmerking te nemen. Na afloop van deze termijn wordt deze afwijking aan een evaluatie onderworpen. De lidstaten delen de Commissie mede of zij van deze mogelijkheid gebruikmaken.
r) 50 % van de posten buiten balanstelling met middelgroot/laag risico, bedoeld in bijlage II;
s) mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, garanties die geen garanties op verstrekte kredieten zijn, die een wettelijke of reglementaire basis hebben en die verstrekt worden aan aangesloten cliënten door onderlinge borgtochtmaatschappijen met de status van kredietinstelling onder voorbehoud dat een gewicht van 20 % op het bedrag daarvan wordt toegepast; en
t) posten buiten de balanstelling met een laag risico, bedoeld in bijlage II, voorzover met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten op grond waarvan de positie alleen mag worden ingenomen indien vastgesteld is dat de volgens artikel 111, leden 1 tot en met 3, geldende grenswaarden niet worden overschreden.
Punt g) omvat ook contanten die ontvangen worden in het kader van een door de kredietinstelling uitgegeven credit linked note, alsmede leningen en deposito's van een tegenpartij aan, respectievelijk bij de kredietinstelling die onder een ingevolge de artikelen 90 tot en met 93 erkende overeenkomst tot verrekening van balansposten vallen.
Voor de toepassing van punt o) moeten de als zekerheid gegeven effecten tegen marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde posities bezitten en moeten ze op een effectenbeurs genoteerd zijn, dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd zijn op een markt die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert, en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te bepalen aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan worden geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100 %. Zij bedraagt evenwel 150 % in het geval van aandelen en 50 % in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door instellingen, regionale of lagere overheden van de lidstaten andere dan die bedoeld onder f), en in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken andere dan die welke krachtens artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0 % krijgen. Als er sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie, wordt de zekerheid niet in aanmerking genomen. De als zekerheid gegeven effecten mogen niet tot het eigen vermogen van kredietinstellingen worden gerekend.
Voor de toepassing van punt p) wordt de waarde van het goed ten genoegen van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van strikte, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats. Voor de toepassing van punt p) wordt onder woning verstaan: de woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer.
De lidstaten delen de Commissie mede of zij in het kader van punt s) een afwijking hebben toegestaan, dit om te voorkomen dat zich concurrentieverstoringen voordoen.