Art. 114 Richtlijn 2006/48/EG
1. Behoudens lid 3 mogen de lidstaten besluiten geen volledige of gedeeltelijke afwijking te verlenen die in het kader van artikel 113, lid 3, onder f), g), h) en o) is toegestaan, en mogen ze in plaats daarvan een kredietinstelling die voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de waarde van posities berekent en daarvoor de uitgebreide benadering van financiële zekerheden op basis van de artikelen 90 tot en met 93 hanteert, toestaan een lagere waarde dan de waarde van de posities te hanteren, mits deze niet lager uitvalt dan de totale volledig aangepaste waarde van haar posities jegens de cliënt of groep van verbonden cliënten.
In dit verband houdt „volledig aangepaste waarde van de positie” in dat de waarde is berekend op basis van artikel 90 tot en met 93 en dat daarbij rekening is gehouden met kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele looptijdverschillen (E*).
Als dit lid wordt toegepast op een bepaalde kredietinstelling, is artikel 113, lid 3, onder f), g), h) en o), niet van toepassing op deze kredietinstelling.
2. Behoudens lid 3 kan een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen gebruik mag maken van eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het effect van financiële zekerheden op haar posities kan inschatten, los van andere LGD-relevante aspecten, toestemming worden verleend om deze effecten in aanmerking te nemen bij de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot 3.
Ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat de ramingen van de kredietinstelling geschikt zijn om de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111 te verlagen.
Als een kredietinstelling haar eigen ramingen van de effecten van financiële zekerheden mag gebruiken, dan dient zij dat te doen op een grondslag die aansluit op de benadering die is toegepast bij de berekening van de kapitaaleisen.
Een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen haar eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 mag gebruiken en voor de berekening van de waarde van haar posities niet gebruikmaakt van de in de eerste alinea genoemde methode, mag deze waarde berekenen aan de hand van de benadering van lid 1, dan wel de vrijstelling van artikel 113, lid 3, onder o). Zij past evenwel slechts een van beide methoden toe.
3. Een kredietinstelling die voor de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de in de leden 1 en 2 genoemde methoden mag toepassen, voert op gezette tijden een stresstest op hun kredietconcentraties uit die ook de realiseerbare waarde van de zekerheden omvat.
In zo'n test wordt gekeken naar de risico's die ontstaan als zich eventueel veranderingen in de marktsituatie voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de toereikendheid van het eigen vermogen van de kredietinstelling, en naar de risico's die ontstaan als zekerheden in crisissituaties worden gerealiseerd.
De kredietinstelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat zij in staat is om dergelijke risico's met haar stresstests te beoordelen.
Mocht uit een dergelijke test blijken dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de leden 1 of 2 eigenlijk uit mag worden gegaan, wordt de waarde van de zekerheid die bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, in aanmerking mag worden genomen, dienovereenkomstig verlaagd.
De strategieën van deze kredietinstellingen om het concentratierisico te verminderen, omvatten ook:
a) gedragslijnen en procedures om de risico's tegen te gaan die ontstaan als er sprake is van een mismatch tussen de looptijd van enerzijds de posities en anderzijds de kredietprotectie in verband met deze posities;
b) gedragslijnen en procedures voor het geval dat bij een stresstest blijkt dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de leden 1 en 2 mocht worden uitgegaan; en
c) gedragslijnen en procedures inzake het concentratierisico dat ontstaat door kredietrisicolimitering, met name bij grote indirecte kredietrisico's (waarvan bijvoorbeeld sprake is als de effecten die als zekerheid worden aanvaard, slechts één organisatie als uitgevende instelling hebben).
4. Als het effect van zekerheden ingevolge de leden 1 of 2 in aanmerking wordt genomen, mogen de lidstaten elk deel van de positie dat is gedekt, behandelen als zijnde ingenomen jegens de uitgevende instelling van de zekerheid en niet jegens de cliënt.