Art. 10, Gronden van vervolging
1. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:
a) het begrip „ras” omvat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;
b) het begrip „godsdienst” omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;
c) het begrip „nationaliteit” is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat met name ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door haar culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;
d) een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:
— leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
— de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Genderaspecten kunnen in overweging worden genomen, maar zijn op zichzelf geen aanleiding voor de toepassing van dit artikel;
e) het begrip „politieke overtuiging” houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
2. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet terzake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2422
- ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4985
- Rb. Den Haag 20 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4634
- ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2424
- ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2423
- ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4986
- ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4983
- ABRvS 27 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:102
- ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ5223
- Rb. 's-Gravenhage 2 oktober 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0292
- Rb. 's-Gravenhage 16 juli 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1599
- Rb. 's-Gravenhage 1 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8668
- Rb. 's-Gravenhage 9 november 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2901
- Rb. 's-Gravenhage 18 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ2882
- Rb. 's-Gravenhage 30 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9371
- Rb. 's-Gravenhage 17 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK9835
- Rb. Den Haag 2 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8613
- Rb. Den Haag 22 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6899
- Rb. Den Haag 13 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:17006
- Rb. Den Haag 27 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:16486