ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4983

Bij arrest van 5 september 2012, C-71/11 en C 99/11, Bondsrepubliek Duitsland tegen Y en Z (http://curia.europa.eu) heeft het Hof naar aanleiding van prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht van de Bondsrepubliek Duitsland overwogen dat de beoordeling van de gegrondheid van een vrees voor vervolging veronderstelt dat de bevoegde autoriteit rekening houdt met een reeks van zowel objectieve als subjectieve factoren. De subjectieve omstandigheid dat het in het openbaar beleven van een bepaalde godsdienstige praktijk, waartegen de betwiste beperkingen zijn gericht, bijzonder belangrijk is voor een vreemdeling om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, vormt een relevante factor bij de beoordeling van het gevaar waaraan die vreemdeling wegens zijn godsdienst in zijn land van herkomst zal worden blootgesteld, zelfs indien voor de betrokken religieuze gemeenschap het beleven van een dergelijke godsdienstige praktijk niet bepalend is. Vervolgens heeft het Hof voor recht verklaard dat de bevoegde autoriteit van een vreemdeling niet kan of mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, in zijn land van herkomst terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging. Bij voormelde verwijzingsuitspraak van 18 april 2012 heeft de Afdeling prejudiciële vragen gesteld over vervolging in verband met seksuele gerichtheid die gelijkenis vertonen met de prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht die leidden tot voormeld arrest van 5 september 2012. Desgevraagd heeft de Afdeling bij brief van 28 september 2012 het Hof bericht dat zij de vragen van 18 april 2012 handhaaft. Indien een vreemdeling stelt in verband met zijn seksuele gerichtheid voor vervolging te vrezen, vormt verificatie van de seksuele gerichtheid een onderdeel van de beoordeling van de asielaanvraag. De Afdeling ziet zich gesteld voor de volgende vragen die haar aanleiding geven in vervolg op de reeds gestelde vragen over de vrees voor vervolging tot prejudiciële verwijzing over te gaan. "Welke grenzen stellen art. 4 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 3 en 7 daarvan, aan de wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid en verschillen die grenzen van de grenzen die gelden voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de andere gronden van vervolging en, zo ja, in welk opzicht?"

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen