Rb. 's-Gravenhage 16 juli 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1599

Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter allereerst de vraag moet beantwoorden of sprake is van nova, dan wel een relevante wijziging van het recht. (…) Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verzoeker geen nova dan wel een wijziging van het recht aan zijn huidige aanvraag ten grondslag heeft gelegd. (...) De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker zich op het standpunt heeft gesteld dat zijn homoseksualiteit, in het licht van de mensenrechtensituatie van homoseksuelen in Oeganda, er toe noopt de in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen. Er is volgens verzoeker sprake van bijzondere, op de individuele zaak van verzoeker betrekking hebbende feiten of omstandigheden (als bedoeld in het arrest Bahaddar). Uitzetting zou leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM, aldus verzoeker. (…) De door verzoeker aangehaalde tussenuitspraak van de Afdeling van 18 april 2012 bevat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie in de zaak van een asielzoeker uit Oeganda. In die zaak betreft het, net als bij verzoeker, een asielzoeker wiens homoseksuele gerichtheid niet in geschil is en wiens asielrelaas als ongeloofwaardig is beoordeeld. (…) Het valt niet uit te sluiten dat de beantwoording van deze vragen leidt tot de vaststelling dat verzoeker behoort tot een specifieke sociale groep als bedoeld in artikel 10 van de Definitierichtlijn en/althans dat van hem bij terugkeer naar Oeganda minder terughoudendheid mag worden verwacht bij het uiting geven aan zijn homoseksuele gerichtheid, dan verweerder heeft aangenomen in zijn beleid. Dit raakt mede aan de beoordeling van de vraag of terugzending van verzoeker naar het land van herkomst kan leiden tot een reëel risico van behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De vraag of de homoseksuele gerichtheid van verzoeker een bijzondere omstandigheid kan vormen als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar, is daarom (mede) afhankelijk van het antwoord op voornoemde prejudiciële vragen. De voorzieningenrechter moet het bestreden besluit, dat van gelijke strekking is als het eerdere afwijzende asielbesluit, om die reden toetsen in het licht van de door verzoeker daartegen aangevoerde gronden, ondanks het oordeel dat er geen sprake is van nova of een voor verzoeker relevante wijziging van het recht. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten aanzien van de prejudiciële vragen het standpunt in genomen dat hij kan vasthouden aan zijn vigerende beleid. Gelet op de hiervoor weergegeven mogelijke gevolgen van de beantwoording van de prejudiciële vragen voor de beoordeling van de vraag of verzoeker vanwege zijn homoseksuele geaardheid bescherming toekomt, acht de voorzieningenrechter deze motivering ontoereikend. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk en draagkrachtig gemotiveerd en heeft verweerder de aanvraag niet op zorgvuldige wijze binnen de AA-procedure kunnen afdoen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen