Rb. Den Haag 20 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4634
Tav beoordeling fundamentele politieke overtuiging: Ter zitting heeft verweerder erkend dat een werkinstructie ontbreekt. Dat verweerder gebruik maakt van een andere vaste gedragslijn voor het beoordelen van de mate waarin een politieke overtuiging fundamenteel is, is ook niet gebleken. Hoewel, zoals hiervoor is overwogen, voor de beoordeling van belang is in hoeverre een gestelde politieke overtuiging ook de nodige substantie heeft, kan uit het Vluchtelingenverdrag, de Kwalificatierichtlijn, noch de nationale regelgeving worden afgeleid wat precies onder een ‘fundamentele politieke overtuiging’ moet worden verstaan en wanneer hiervan sprake is. Uit de Afdelingsjurisprudentie kan evenmin worden afgeleid hoe dit begrip precies moet worden ingevuld. Verder zijn naar het oordeel van de rechtbank politieke overtuiging en godsdienstige overtuiging naar hun aard verschillende vervolgingsgronden, waarvan het ene toetsingskader niet per definitie en zonder nadere toelichting op het andere toepasbaar is. Overigens is in het bestreden besluit ook niet aangesloten bij het beoordelingskader voor een gestelde geloofsovertuiging als asielmotief. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk op welke wijze verweerder heeft beoordeeld of bij eiseres van een gestelde fundamentele politieke overtuiging sprake is, zodat verweerder in het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer bestaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl