Rb. 's-Gravenhage 1 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV8668
bekering christendom, beleidsverslechtering C2/2.7 Vc (per 1 oktober 2011); algemeen ambtsbericht inzake Iran van augustus 2011. Het beleid neergelegd in C2/2.7 Vc dat met ingang van 1 oktober 2011 is gewijzigd houdt een verslechtering in ten opzichte van het beleid dat gold voor 1 oktober 2011. De rechtbank stelt vast dat uit de door eiseres overgelegde stukken het beeld naar voren komt dat ook ten aanzien van christenen die geen bekeringsactiviteiten verrichten, maar uitsluitend hun geloof belijden door middel van het bezoeken van huiskerken of ‘nieuwe kerken’, sprake is van vervolging. Ook in het ambtsbericht zelf zijn passages opgenomen waaruit blijkt dat het gedogen van huiskerken indien geen evangelisatie, overlast en/of publieke activiteiten plaatsvinden is ingewisseld voor een actief vervolgingsbeleid. De passage in het ambtsbericht (inzake Iran van augustus 2011) waarin wordt vermeld dat in het algemeen geen actief vervolgingsbeleid gevoerd wordt ten opzichte van bezoekers van huiskerken, bevat geen bronvermelding. Gelet hierop en de omstandigheid dat uit de door eiseres overgelegde stukken een ander beeld naar voren komt, is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor vervolging bij terugkeer, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet het standpunt van verweerder dat eiseres haar geloof kan belijden zonder dat zij een reëel risico loopt op repercussies van de zijde van de Iraanse autoriteiten. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl