Art. 125, Zoogkoeienpremie
1. Aan landbouwers die op hun bedrijf zoogkoeien houden, kan op aanvraag een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Deze premie wordt verleend in de vorm van een premie per jaar en per landbouwer, binnen de individuele maxima.
2. De zoogkoeienpremie wordt verleend aan alle landbouwers
a) die geen melk of zuivelproducten leveren in de 12 maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag,
Rechtstreekse levering van melk of zuivelproducten van het bedrijf aan de consument vormt echter geen beletsel voor de verlening van de premie;
b) die melk of zuivelproducten leveren en wier totale individuele referentiehoeveelheid als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 ten hoogste 120000 kilogram bedraagt. De lidstaten mogen op basis van door hen vast te stellen objectieve criteria echter besluiten om deze kwantitatieve beperking te wijzigen of niet toe te passen,
op voorwaarde dat de landbouwers gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 60 % en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 40 % van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.
Voor de vaststelling van het aantal op grond van het bepaalde onder a) en b) subsidiabele dieren wordt aan de hand van de in artikel 95, lid 2, bedoelde referentiehoeveelheid en de gemiddelde melkopbrengst bepaald of de koeien tot een zoogkoeienbeslag dan wel tot een melkkoeienbeslag behoren.
3. Het recht van de landbouwers op de premie wordt beperkt door toepassing van het in artikel 126 gedefinieerde individuele maximum.
4. De premie per subsidiabel dier bedraagt 200 euro.
5. In geval van toepassing van artikel 68, punt a), onder i), mogen de lidstaten, mits er geen discriminatie tussen veehouders in de betrokken lidstaat plaatsvindt een aanvullende nationale zoogkoeienpremie van maximaal 50 euro per dier verlenen.
Voor bedrijven in een regio als gedefinieerd in de artikelen 3 en 6 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen(36) wordt de eerste 24,15 euro per dier van die aanvullende premie gefinancierd door de Afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL).
Voor bedrijven op het gehele grondgebied van een lidstaat waarvan het koeienbeslag gekenmerkt wordt door een hoog aandeel zoogkoeien dat ten minste 30 % van het totaal aantal koeien uitmaakt, en waarvan ten minste 30 % van de geslachte mannelijke runderen tot de vleesklassen S en E behoren, wordt de aanvullende premie geheel door de Afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierd. Overschrijdingen van deze percentages worden vastgesteld op basis van het gemiddelde van de twee jaren voorafgaande aan het jaar waarvoor de premie wordt verleend.
6. Voor de toepassing van dit artikel worden alleen in aanmerking genomen vaarzen van een vleesras of voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras, die deel uitmaken van een beslag van voor de vleesproductie bestemde kalveren.