Art. 130, Slachtpremie
1. Een landbouwer die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op aanvraag in aanmerking komen voor een slachtpremie. De premie wordt, binnen nader vast te stellen nationale maxima, verleend bij het slachten van subsidiabele dieren of de uitvoer daarvan naar een derde land.
Voor de slachtpremie komen in aanmerking:
a) stieren, ossen, koeien en vaarzen van ten minste acht maanden,
b) kalveren van meer dan één en minder dan acht maanden oud met een slachtgewicht van ten hoogste 185 kg, op voorwaarde dat zij gedurende een nader te bepalen periode door de landbouwer zijn gehouden.
2. De premie bedraagt:
a) 80 euro per subsidiabel dier als omschreven in lid 1, onder a);
b) 50 euro per subsidiabel dier als omschreven in lid 1, onder b).
3. De in lid 1 bedoelde nationale maxima worden vastgesteld per lidstaat en afzonderlijk voor beide groepen dieren als omschreven in lid 1, onder a) en b). Elk maximum is gelijk aan de aantallen dieren van elke van deze twee groepen die in 1995 in de betrokken lidstaat zijn geslacht plus die welke vanuit die lidstaat naar een derde land zijn uitgevoerd, volgens de gegevens van Eurostat of andere gepubliceerde officiële statistische gegevens voor dat jaar die door de Commissie zijn geaccepteerd.
4. Wanneer in een bepaalde lidstaat het totale aantal dieren waarvoor een premie is aangevraagd met betrekking tot een van de twee in lid 1, onder a) of b), bedoelde groepen dieren die voldoen aan de voorwaarden voor het verlenen van de slachtpremie, het nationale maximum voor die groep overschrijdt, wordt het aantal van alle subsidiabele dieren van die groep per landbouwer voor het jaar in kwestie proportioneel verlaagd.