Art. 129, Vaarzen
1. In afwijking van artikel 125, lid 3, mogen lidstaten waar meer dan 60 % van de zoogkoeien en de vaarzen gehouden worden in berggebieden in de zin van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1257/1999, besluiten de verlening van de zoogkoeienpremie voor vaarzen afzonderlijk te beheren van die voor zoogkoeien, tot een afzonderlijk nationaal maximum dat door de betrokken lidstaat wordt vastgesteld.
Dat afzonderlijke nationale maximum mag niet meer bedragen dan 40 % van het nationale maximum van de betrokken lidstaat als bedoeld in artikel 126, lid 5. Dat nationale maximum moet verlaagd worden met de hoeveelheid die gelijk is aan het afzonderlijke nationale maximum. Wanneer in een lidstaat bij de uitoefening van de in dit lid bedoelde bevoegdheid het totaal aantal vaarzen waarvoor een premie is aangevraagd en die voldoen aan de voorwaarden voor de verlening van de zoogkoeienpremie, het afzonderlijke nationale maximum overschrijdt, moet het aantal subsidiabele vaarzen per landbouwer voor het betrokken jaar proportioneel worden verlaagd.
2. Voor de toepassing van dit artikel worden alleen vaarzen van een vleesras of voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras in aanmerking genomen.