Art. 12, Bescherming tegen verwijdering
1. De lidstaten mogen uitsluitend een besluit tot verwijdering ten aanzien van een langdurig ingezetene nemen, wanneer hij een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid vormt.
2. Het in lid 1 bedoelde besluit mag niet op economische gronden berusten.
3. Alvorens tot verwijdering van een langdurig ingezetene wordt besloten, houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:
a) de duur van het verblijf op het grondgebied,
b) de leeftijd van de betrokkene,
c) de gevolgen voor de betrokkene en de leden van zijn gezin,
d) het bestaan van banden met het land van verblijf of het ontbreken van banden met het land van herkomst.
4. Wanneer een besluit tot verwijdering is genomen, kan de langdurig ingezetene zich in de betrokken lidstaat tot de rechter wenden.
5. Aan de langdurig ingezetene die niet over voldoende middelen beschikt, wordt rechtsbijstand verleend onder dezelfde voorwaarden als aan de eigen onderdanen van de staat waar hij verblijft.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1695
- ABRvS 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3793
- Rb. Den Haag 11 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12038
- Rb. Den Haag 27 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11591
- Rb. 's-Gravenhage 8 november 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4116
- Rb. 's-Gravenhage 22 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BH0051
- Rb. Den Haag 12 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4108
- Rb. Den Haag 20 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7059
- Rb. Den Haag 25 april 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19688