Rb. Den Haag 12 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4108
Rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op meerdere geweldsmisdrijven en glijdende schaal, verweerder in beginsel bevoegd was om verblijfsvergunning in te trekken en hem inreisverbod op te leggen. De bijzondere individuele omstandigheden, zoals de ziekte schizofrenie, leiden niet tot oordeel dat artikel 3.86, vierde lid, Vb niet op hem van toepassing is, omdat de strafrechtelijke veroordelingen onherroepelijk zijn. Tussen eiser en zijn vader is geen sprake van ‘more than normal emotional ties’, zodat daarmee ook geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven op grond van artikel 8 EVRM. Er is geen sprake van een beschermenswaardig privéleven. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM, waarmee is meegewogen de herhaaldelijke veroordelingen voor geweldsmisdrijven, banden met Liberia, psychische gezondheidssituatie (schizofrenie), heeft geleid tot een “fair balance” tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven en anderzijds het belang van de Nederlandse samenleving. Beroep ongegrond voor zover gericht tegen opleggen inreisverbod en beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen intrekking verblijfsvergunning.
De uitspraak op rechtspraak.nl