Rb. 's-Gravenhage 8 november 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4116

Openbare orde, vertrektermijn, richtlijnconform, Terugkeerrichtlijn, communautair, risico op onderduiken, Artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, artikel 62, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw, artikel 62, derde lid, van de Vw Samenvatting: De rechtbank overweegt dat de communautaire openbare-ordecriteria in de door partijen aangehaalde richtlijnen, gelet op hun bewoordingen, van elkaar verschillen. Bij toepassing van het communautaire openbare-ordecriterium in de richtlijnen is de strengheid van dat criterium mede afhankelijk van de positie die betrokkene binnen Nederland of de Europese Unie heeft. Het verschil in wegingcriteria past bij het bieden van de hoogste mate van bescherming aan EU-onderdanen en een lagere mate van bescherming aan langdurig ingezetenen en gezinsherenigers. In het geval van eiser wordt naar het oordeel van de rechtbank een laagdrempeligere bescherming geboden dan aan onderdanen van derde landen die aanspraak kunnen maken op Richtlijn 2004/38 of Richtlijn 2003/86. Ook bij toepassing van artikel 62, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw indien dat artikellid wordt uitgelegd conform artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser nu hij ter zake van het plegen van een misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden aannemen dat is voldaan aan het openbare-ordecriterium. Uit artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat de termijn voor vrijwillig vertrek op nul dagen kan worden gesteld indien eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. In dit geval is voldaan aan dat openbare-ordecriterium, zodat verweerder in beginsel bevoegd is af te zien van het toekennen van een vertrektermijn. De keuze om de terugkeertermijn te stellen op minder dan zeven dagen, moet, kort gezegd, geïndividualiseerd en gemotiveerd plaatsvinden. Juist vanwege het karakter van openbare orde acht de rechtbank het wel aanvaardbaar dat verweerder bij toepassing van artikel 62, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw als uitgangspunt hanteert dat de termijn dan op nul dagen wordt gesteld. Dat uitgangspunt neemt niet weg dat verweerder in het concrete geval moet bezien welke terugkeertermijn passend en proportioneel is. In de omstandigheden van het geval behoefde verweerder geen aanleiding te zien af te wijken van zijn uitgangspunt dat bij aspecten van openbare orde een terugkeertermijn hoort van nul dagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen