Art. 26 Verordening (EG) nr. 1808/2001
Verordening (EG) nr. 1808/2001
Een specimen van een plantensoort wordt uitsluitend beschouwd als zijnde kunstmatig gekweekt als ten genoegen van een bevoegde beheersinstantie in overleg met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de lidstaat is aangetoond dat:
a) het een plant is, of bestaat uit een afgeleid product van een plant, die in gecontroleerde omstandigheden - d.w.z. in een niet-natuurlijk, in sterke mate door menselijke ingrepen zoals grondbewerking, bemesting, onkruidbestrijding, bevloeiing of op aankweek gerichte handelingen zoals verpotting, verspening en bescherming tegen ongunstige weersomstandigheden bepaald milieu - is opgekweekt uit een zaad, stek, fragment, weefselcallus of ander plantenweefsel, spore of ander vermeerderingsstadium;
b) het kweekmateriaal werd samengesteld in overeenstemming met de op het moment van verwerving daarop toepasselijke wettelijke bepalingen en op een zodanige wijze in stand wordt gehouden dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade ondervindt;
c) het kweekmateriaal op een zodanige wijze wordt verzorgd dat het duurzame voortbestaan van de lijn is gewaarborgd;
d) wanneer het gaat om geënte planten, zowel de onderstam als de ent kunstmatig is gekweekt zoals bepaald onder a), b) en c).
Hout van bomen afkomstig uit monocultuuraanplanten wordt beschouwd als zijnde kunstmatig gekweekt in de zin van de eerste alinea.