Art. 29 Verordening (EG) nr. 1808/2001

Verordening (EG) nr. 1808/2001

1. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder a) tot en met c), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.

2. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat de betrokken specimens overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 van de onderhavige verordening in gevangenschap zijn geboren en gefokt of kunstmatig zijn gekweekt.

3. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder e) tot en met g), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.

4. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder h), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat de betrokken specimens in een lidstaat aan de natuur zijn onttrokken overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.