Art. 5 Richtlijn 2000/29/EG

Richtlijn 2000/29/EG

1. De lidstaten schrijven voor, dat de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen slechts op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, indien is voldaan aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden vermeld.

2. De lidstaten verbieden met ingang van 1 juni 1993 het in de beschermde gebieden binnenbrengen van de in bijlage IV, deel B, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen en het verkeer ervan binnen die gebieden, tenzij is voldaan aan de bijzondere eisen die in dat deel van de bijlage worden vermeld.

3. Bijlage IV wordt aan de hand van de in artikel 3, lid 6, vastgestelde criteria volgens de procedure van artikel 18 herzien.

4. De lidstaten schrijven voor dat, met ingang van 1 juni 1993, het bepaalde in lid 1 ook van toepassing is op het verkeer van planten, plantaardige producten of andere materialen binnen het grondgebied van een lidstaat, zulks evenwel onverminderd artikel 6, lid 7. Het bepaalde in dit lid en in de leden 1 en 2 geldt niet voor het verkeer van kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten, voedingsmiddelen of diervoeders wanneer deze bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of door de ontvanger voor niet-industriële en niet-commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer, op voorwaarde dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen.

5. Overeenkomstig de voorwaarden die volgens de procedure van artikel 18 worden vastgesteld, gelden de leden 1, 2 en 4 niet voor proefnemingen, noch voor wetenschappelijke doeleinden noch voor selectiewerkzaamheden.

6. Voorzover geen gevaar voor verspreiding van schadelijke organismen bestaat, kan een lidstaat bepalen dat de leden 1, 2 en 4 in bepaalde afzonderlijke gevallen niet van toepassing zijn op planten, plantaardige producten en andere materialen, die in zijn onmiddellijke grensgebied met een derde land worden geteeld, geproduceerd of gebruikt en in deze lidstaat worden binnengebracht om daarmee op nabijgelegen plaatsen in de grensstreek van zijn grondgebied te worden bewerkt.

Wanneer de lidstaat zo'n ontheffing verleent, moet hij de plaats en de naam van degene die de bewerking uitvoert, specificeren. Deze gegevens, die regelmatig moeten worden bijgewerkt, dienen ter beschikking van de Commissie te staan.

Planten, plantaardige producten en andere materialen die onder een ontheffing uit hoofde van de eerste alinea vallen, moeten vergezeld gaan van een bewijsstuk waarin de plaats in het betrokken derde land is vermeld vanwaar de bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen afkomstig zijn.