Art. 2
1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) planten: levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van zaden.
Onder levende delen van planten worden onder meer verstaan:
- vruchten - in botanische zin - die niet door middel van diepvriezen worden bewaard;
- groenten die niet door middel van diepvriezen worden bewaard;
- wortelknollen, knollen, stengelknollen, bollen, wortelstokken;
- snijbloemen;
- takken met loof;
- gevelde bomen die nog van loof zijn voorzien;
- plantenweefselcultures.
Onder "zaden" worden zaden in botanische zin verstaan, met uitzondering van zaden voor andere dan plantdoeleinden;
b) plantaardige producten: voortbrengselen van plantaardige oorsprong die niet verwerkt zijn of die een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, voorzover het geen planten betreft;
c) opplant: iedere handeling betreffende het plaatsen van planten teneinde hun verdere groei of vermeerdering te bewerkstelligen;
d) voor opplant bestemde planten: - planten die reeds zijn geplant en zijn bestemd om geplant te blijven of om opnieuw te worden geplant nadat zij zijn binnengebracht, of
- planten die nog niet zijn geplant op het tijdstip van het binnenbrengen ervan, maar bestemd zijn om nadien te worden geplant;
e) schadelijke organismen: voor planten of plantaardige producten schadelijke organismen van dierlijke of plantaardige aard, alsmede dergelijke organismen in de vorm van virussen, mycoplasma's of andere ziekteverwekkers;
f) plantenpaspoort: een officieel label dat bewijst dat aan de fytosanitaire normen en aan de bijzondere eisen die bij deze richtlijn zijn vastgesteld, is voldaan, en dat daartoe:
- op communautair niveau voor verschillende soorten planten of plantaardige producten is gestandaardiseerd en
- is opgesteld door de verantwoordelijke officiële instantie van een lidstaat en afgegeven overeenkomstig de toepassingsbepalingen betreffende de bijzonderheden van de procedure voor de afgifte van plantenpaspoorten.
Voor specifieke soorten producten kunnen volgens de procedure van artikel 18 andere overeengekomen officiële merktekens dan het label worden vastgesteld.
De standaardisatie geschiedt volgens de procedure van artikel 18. In het kader van deze standaardisatie worden verschillende merktekens vastgesteld voor plantenpaspoorten die, overeenkomstig artikel 10, lid 1, tweede alinea, niet voor alle delen van de Gemeenschap geldig zijn;
g) de verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat zijn: i) de officiële organisatie(s) ter bescherming van planten van een lidstaat, als bedoeld in artikel 1, lid 4, of
ii) een overheidsinstantie, die:
- hetzij op nationaal niveau is ingesteld,
- hetzij - onder toezicht van de nationale autoriteiten, binnen door de grondwet van de betrokken lidstaat vastgestelde grenzen - op regionaal niveau is ingesteld.
De verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, hun in deze richtlijn bedoelde taken die onder hun gezag en toezicht moeten worden verricht, overdragen aan een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die, krachtens zijn officieel goedgekeurde statuten, uitsluitend belast is met specifieke taken van openbaar belang, op voorwaarde dat deze rechtspersoon en de leden daarvan geen enkel persoonlijk voordeel trekken uit het resultaat van de maatregelen die zij nemen.
De lidstaten zorgen voor een nauwe samenwerking van de in de eerste alinea, onder ii), bedoelde instanties met de onder i) bedoelde instanties.
Bovendien kan, overeenkomstig de procedure van artikel 18, een andere namens de in de eerste alinea, onder i), bedoelde instantie(s) ingestelde rechtspersoon die onder het gezag en toezicht van een dergelijke instantie handelt, worden erkend, op voorwaarde dat deze rechtspersoon geen enkel persoonlijk voordeel trekt uit het resultaat van de maatregelen die hij neemt.
De in artikel 1, lid 4, bedoelde ene centrale instantie stelt de Commissie in kennis van de verantwoordelijke officiële instanties van de betrokken lidstaat. De Commissie zendt deze informatie toe aan de andere lidstaten;
h) beschermd gebied: een gebied in de Gemeenschap waarin:
- één of meer van de in deze richtlijn vermelde, in één of meer delen van de Gemeenschap voorkomende schadelijke organismen niet endemisch zijn noch voorkomen, hoewel de omstandigheden daar voor de ontwikkeling daarvan gunstig zijn, of
- het gevaar bestaat dat bepaalde schadelijke organismen als gevolg van de ecologisch gunstige omstandigheden voor bijzondere culturen, worden aangetroffen, hoewel deze organismen niet endemisch zijn noch in de Gemeenschap voorkomen,
en dat, omdat het aan de in het eerste en het tweede streepje vastgestelde voorwaarden voldoet, en, in het in het eerste streepje bedoelde geval, op verzoek van de betrokken lidstaat/lidstaten, volgens de procedure van artikel 18 als zodanig is erkend. Voorwaarde hiervoor is wel dat voor dat doel geschikt onderzoek, dat onder toezicht van de in artikel 21 bedoelde deskundigen volgens de procedure van dat artikel is verricht, niet het tegendeel heeft bewezen. Het onderzoek met betrekking tot het in het tweede streepje genoemde geval is facultatief.
Als in een gebied aangetroffen schadelijk organisme wordt beschouwd, het schadelijk organisme waarvan bekend is dat het aldaar voorkomt en waartegen ter uitroeiing ervan geen officiële maatregelen zijn genomen of waartegen dergelijke maatregelen tijdens een periode van ten minste twee opeenvolgende jaren ondoeltreffend zijn gebleken.
De betrokken lidstaat of lidstaten organiseren, wat het in de eerste alinea, eerste streepje, bedoelde geval betreft, op een regelmatige en systematische basis officiële onderzoeken naar de aanwezigheid van organismen ten aanzien waarvan het beschermde gebied erkend is. Iedere vondst van een dergelijk organisme wordt onmiddellijk aan de Commissie ter kennis gebracht. Het daaraan verbonden risico wordt geëvalueerd door het Permanent Plantenziektekundig Comité en de passende maatregelen worden volgens de procedure van artikel 18 vastgesteld.
De bijzonderheden van de in de eerste en de derde alinea bedoelde onderzoeken kunnen overeenkomstig de procedure van artikel 18, en rekening houdend met erkende wetenschappelijke en statistische beginselen, worden vastgesteld.
De resultaten van de bedoelde onderzoeken worden ter kennis van de Commissie gebracht. De Commissie zendt deze informatie toe aan de andere lidstaten.
De Commissie legt vóór 1 januari 1998 een verslag aan de Raad voor over de werking van de regeling "beschermde gebieden", in voorkomend geval vergezeld van alle passende voorstellen;
i) officiële constatering of maatregel: een constatering die is gedaan of een maatregel die is genomen, onverminderd artikel 21,
- door vertegenwoordigers van de officiële plantenziektekundige dienst van een lidstaat of door onder hun verantwoordelijkheid handelende andere ambtenaren, in geval van constateringen of maatregelen die verband houden met de afgifte van de in artikel 7, lid 1, of artikel 8, lid 2, genoemde certificaten, of
- in alle andere gevallen, door dergelijke vertegenwoordigers of ambtenaren, dan wel door gekwalificeerde beambten in dienst van één van de verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat, op voorwaarde dat dergelijke beambten geen enkel persoonlijk voordeel trekken uit het resultaat van de maatregelen die zij treffen, en aan minimumnormen inzake kwalificatie voldoen.
De lidstaten dragen er zorg voor dat hun ambtenaren en gekwalificeerde beambten de nodige kwalificaties hebben voor een correcte toepassing van deze richtlijn. Voor deze kwalificaties kunnen volgens de procedure van artikel 18 richtsnoeren worden vastgesteld.
De Commissie stelt in het kader van het Permanent Plantenziektekundig Comité communautaire programma's op, op de toepassing waarvan zij toezicht uitoefent betreffende de aanvullende opleiding van de hierboven bedoelde ambtenaren en gekwalificeerde beambten, teneinde de op nationaal niveau verworven kennis en opgedane ervaring op het niveau van de voornoemde kwalificaties te brengen. Zij draagt bij in de financiering van deze aanvullende opleiding en stelt voor, de hiertoe noodzakelijke kredieten in de communautaire begroting op te nemen.
2. Behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepalingen gelden de bepalingen van deze richtlijn voor hout alleen voorzover dit, geheel of gedeeltelijk, zijn natuurlijke ronde oppervlak, met of zonder schors, heeft behouden, dan wel de vorm heeft van plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, resten en afval van hout.
Onverminderd de bepalingen betreffende bijlage V, gelden bovengenoemde bepalingen ook voor hout, ongeacht of dit al dan niet aan de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden voldoet, in de vorm van stuwmateriaal, tussenschotten, laadborden of verpakkingsmateriaal dat/die wordt/worden gebruikt bij het vervoer van voorwerpen van allerlei aard, voorzover het hout vanuit plantenziektekundig oogpunt een gevaar inhoudt.