Art. 61 Richtlijn 2000/12/EG, Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 36

Richtlijn 2000/12/EG

Denemarken mag de Deense instellingen voor hypothecair krediet die vóór 1 januari 1990 de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen hadden of als fonds georganiseerd waren, en die in naamloze vennootschappen zijn omgezet, toestaan om de hoofdelijke verplichtingen van de leden, respectievelijk van de leningnemers als bedoeld in artikel 36, lid 1, wier vorderingen met deze hoofdelijke verplichtingen worden gelijkgesteld, te blijven opnemen in het eigen vermogen, met inachtneming van de volgende beperkingen:

a) de berekeningsgrondslag van het aandeel van de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers is de som van de bestanddelen genoemd in artikel 34, lid 2, punten 1 en 2, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in artikel 34, lid 2, punten 9, 10 en 11;

b) de berekeningsgrondslag op 1 januari 1991 of, indien de omzetting op een latere datum plaatsvindt, op de datum van omzetting is de maximale berekeningsgrondslag. De berekeningsgrondslag mag nooit hoger zijn dan de maximale berekeningsgrondslag;

c) de maximale berekeningsgrondslag wordt vanaf 1 januari 1997 verminderd met de helft van de opbrengst van eventuele nadien plaatsvindende uitgiften van kapitaal, als gedefinieerd in artikel 34, lid 2, punt 1, en

d) het maximumbedrag van de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers dat in het eigen vermogen wordt opgenomen, mag nooit meer bedragen dan:

50 % in 1991 en 1992,

45 % in 1993 en 1994,

40 % in 1995 en 1996,

35 % in 1997,

30 % in 1998,

20 % in 1999,

10 % in 2000 en

0 % vanaf 1 januari 2001

van de berekeningsgrondslag.