Art. 53 Richtlijn 2000/12/EG, Tot toezicht op geconsolideerde basis bevoegde autoriteiten
1. Indien de moederonderneming een kredietinstelling is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 bedoelde vergunning hebben verleend.
2. Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een financiële holding is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 bedoelde vergunning hebben verleend.
Indien evenwel kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële holding als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de kredietinstelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht.
Indien in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht, aan geen dochterkredietinstellingen vergunning is verleend, komen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten (daarbij begrepen de autoriteiten van de lidstaat waar de financiële holding is opgericht) met elkaar overeen wie van hen het toezicht op geconsolideerde basis zal uitoefenen. Bij gebreke van een dergelijke afspraak wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal; in het geval van gelijke balanstotalen wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die als eerste een vergunning als bedoeld in artikel 4 hebben verleend.
3. De betrokken bevoegde autoriteiten kunnen met elkaar overeenkomen van het bepaalde in lid 2, eerste en tweede alinea, af te wijken.
4. De in lid 2, derde alinea, en in lid 3 bedoelde overeenkomsten bevatten concrete maatregelen inzake samenwerking en informatie-uitwisseling met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen betreffende het toezicht op geconsolideerde basis.
5. Indien er in de lidstaten meer dan één bevoegde autoriteit is voor het bedrijfseconomisch toezicht of kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de onderlinge coördinatie te organiseren.