Art. 49 Richtlijn 2000/12/EG, Voor grote risico's geldende grenswaarden
1. Een kredietinstelling mag met betrekking tot één cliënt of een groep van verbonden cliënten geen risico aangaan met een totale waarde van meer dan 25 % van haar eigen vermogen.
2. Indien de cliënt of groep van verbonden cliënten de moederonderneming of dochteronderneming van de kredietinstelling en/of één of meer dochterondernemingen van deze moederonderneming is, wordt het in lid 1 genoemde percentage verlaagd tot 20 %. De lidstaten behoeven deze grenswaarde van 20 % echter niet op de risico's met betrekking tot deze cliënten toe te passen indien zij die risico's via andere maatregelen of procedures aan bijzonder toezicht onderwerpen. Zij stellen de Commissie en het Raadgevend Comité voor het bankwezen in kennis van de strekking van deze maatregelen of procedures.
3. Een kredietinstelling mag geen grote risico's aangaan waarvan de totale waarde meer dan 800 % van haar eigen vermogen bedraagt.
4. De lidstaten mogen striktere grenswaarden vaststellen dan de in de leden 1, 2 en 3 vermelde grenswaarden.
5. Een kredietinstelling moet met betrekking tot de door haar aangegane risico's doorlopend de in de leden 1, 2 en 3 bepaalde grenswaarden in acht nemen. Indien de aangegane risico's in een uitzonderlijk geval de genoemde grenswaarden toch overschrijden, moet dit onverwijld worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om alsnog aan de grenswaarden te voldoen.
6. De lidstaten mogen van de toepassing van de leden 1, 2 en 3 geheel of gedeeltelijk vrijstellen de risico's die door een kredietinstelling zijn aangegaan met betrekking tot haar moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voorzover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in een derde land geldende gelijkwaardige normen.
7. De lidstaten mogen de volgende risico's geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van de leden 1, 2 en 3:
a) activa die vorderingen op centrale overheden of centrale banken van zone A vertegenwoordigen;
b) activa die vorderingen, op de Europese Gemeenschappen vertegenwoordigen;
c) activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A, of door de Europese Gemeenschappen;
d) andere risico's of gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A of de Europese Gemeenschappen;
e) activa die vorderingen en andere risico's op centrale overheden of centrale banken van zone B vertegenwoordigen, luidende en in voorkomend geval gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer;
f) activa en andere risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van zone A, door de Europese Gemeenschappen of door regionale of lokale overheden van de lidstaten waarvoor overeenkomstig artikel 44 inzake de solvabiliteit een wegingsfactor van 0 % wordt toegepast;
g) activa en andere risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van deposito's in contanten bij de leningverstrekkende instelling, of bij een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is;
h) activa en andere risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van depositocertificaten die zijn uitgegeven door de leningverstrekkende instelling of door een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is, en die bij een van deze zijn gedeponeerd;
i) activa die vorderingen en andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van ten hoogste één jaar en die geen eigen vermogen van die instellingen vormen;
j) activa die vorderingen en andere risico's met een looptijd van ten hoogste één jaar vertegenwoordigen welke gegarandeerd zijn overeenkomstig artikel 45, lid 2, op instellingen die geen kredietinstelling zijn, maar voldoen aan de voorwaarden van voornoemd artikel;
k) wissels en promessen met een looptijd van ten hoogste één jaar die de handtekening van een andere kredietinstelling dragen;
l) obligaties als gedefinieerd in artikel 22, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG;
m) tot aan een latere coördinatie, deelnemingen in verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 5, lid 3, tot een maximum van 40 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling die de deelneming houdt;
n) activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of centrale kredietinstellingen waarmede de leningverstrekkende kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;
o) risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van andere effecten dan die bedoeld onder f), mits de effecten niet door de kredietinstellingen zelf of door hun moederonderneming of een van hun dochterondernemingen, noch door de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten zijn uitgegeven. De in onderpand gegeven effecten moeten tegen marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde risico's bezitten en moeten op een effectenbeurs genoteerd zijn, dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd zijn op een markt die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert, en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te bepalen aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan worden geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100 %; zij bedraagt evenwel 150 % in het geval van aandelen en 50 % in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door kredietinstellingen, regionale of lokale overheden van de lidstaten andere dan die bedoeld in artikel 44, en in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door de Europese Investeringsbank en multilaterale ontwikkelingsbanken. De in onderpand gegeven effecten mogen niet tot het eigen vermogen van kredietinstellingen worden gerekend;
p) leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, zijn gegarandeerd door een hypotheek op residentiële eigendom of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving en transacties inzake financieringshuur voor woningen krachtens welke de lessor de volledige eigendom van de verhuurde residentiële woning behoudt zolang de huurder zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50 % van de waarde van de betrokken woning. De waarde van het goed wordt ten genoegen van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van strikte, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats. Voor de toepassing van dit punt wordt onder woning verstaan, de woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer;
q) 50 % van de posten buiten balanstelling met middelgroot/laag risico, bedoeld in bijlage II;
r) mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, garanties die geen garanties op verstrekte kredieten zijn, die een wettelijke of reglementaire basis hebben en die verstrekt worden aan aangesloten cliënten door onderlinge borgtochtmaatschappijen met de status van kredietinstelling onder voorbehoud dat een wegingsfactor van 20 % op het bedrag daarvan wordt toegepast.
Indien de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis, om te voorkomen dat zich dientengevolge concurrentieverstoringen voordoen;
s) posten buiten de balanstelling met een laag risico, bedoeld in bijlage II, voorzover met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten op grond waarvan het risico alleen mag worden aangegaan indien vastgesteld is dat de volgens de leden 1, 2 en 3 geldende grenswaarden niet worden overschreden.
8. De lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 een wegingsfactor van 20 % toepassen op de activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lokale overheden van de lidstaten, alsmede op de andere risico's op of gegarandeerd door deze overheden; de lidstaten mogen deze factor evenwel onder de voorwaarden van artikel 44 tot 0 % verlagen.
9. De lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 een wegingsfactor van 20 % toepassen op de activa die vorderingen alsmede andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van meer dan één tot ten hoogste drie jaar, en een wegingsfactor van 50 % op de activa die vorderingen op kredietinstellingen vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan drie jaar, mits deze vorderingen bestaan uit schuldbewijzen die zijn uitgegeven door een kredietinstelling en mits deze schuldbewijzen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten effectief op een markt voor professionele marktdeelnemers verhandelbaar zijn en op deze markt dagelijks worden genoteerd of waarvan de uitgifte door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de emitterende kredietinstelling is goedgekeurd. In alle gevallen mogen deze posten niet behoren tot het eigen vermogen.
10. In afwijking van lid 7, onder i), en van lid 9, mogen de lidstaten een wegingsfactor van 20 % toepassen op de activa die vorderingen en andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, ongeacht de looptijd.
11. Wanneer een risico met betrekking tot een cliënt is gegarandeerd door een derde partij, dan wel door onderpand in de vorm van effecten die onder de in lid 7, onder o), beschreven voorwaarden zijn uitgegeven door een derde partij, mogen de lidstaten
- het risico beschouwen als een risico op de derde partij en niet op de cliënt, indien het risico ten genoegen van de bevoegde autoriteiten rechtstreeks en onvoorwaardelijk is gegarandeerd door deze derde partij;
- het risico beschouwen als een risico op de derde partij en niet op de cliënt, indien het in lid 7, onder o), beschreven risico is gegarandeerd door onderpand onder de daarin genoemde voorwaarden.
12. De Raad onderwerpt uiterlijk op 1 januari 1999 op basis van een verslag van de Commissie de behandeling van de in lid 7, onder i), en de in de leden 9 en 10 bedoelde interbancaire risico's aan een onderzoek. De Raad neemt op basis van een voorstel van de Commissie een besluit over de eventueel daarin aan te brengen wijzigingen.