Art. 52 Richtlijn 2000/12/EG, Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen
1. Een kredietinstelling die als dochteronderneming een kredietinstelling of financiële instelling heeft, dan wel een deelneming in dergelijke instellingen houdt, is in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 54 onderworpen aan toezicht op basis van haar geconsolideerde financiële positie. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6 genoemde terreinen.
2. Een kredietinstelling waarvan de moederonderneming een financiële holding is, is onderworpen aan toezicht op basis van de geconsolideerde financiële positie van de financiële holding in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 54. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6 genoemde terreinen. De consolidatie van de financiële positie van de financiële holding betekent geenszins dat de bevoegde autoriteiten op de financiële holding als zodanig een toezichtsfunctie moeten uitoefenen.
3. De lidstaten of de overeenkomstig artikel 53 met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen, financiële instellingen of nevendiensten van het bankbedrijf verrichtende ondernemingen die dochterondernemingen zijn of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie houden indien:
- de in de consolidatie te betrekken onderneming gevestigd is in een derde land waar juridische belemmeringen voor de mededeling van de nodige inlichtingen bestaan,
- de in de consolidatie te betrekken onderneming volgens de bevoegde autoriteiten in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te verwaarlozen is, en in ieder geval indien het balanstotaal van de in de consolidatie te betrekken onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen: 10 miljoen EUR of 1 % van het balanstotaal van de moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming houdt; indien verscheidene ondernemingen aan bovenstaande voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van bovenstaande doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang heeft,
of
- de consolidatie van de financiële positie van de in de consolidatie te betrekken onderneming, naar de mening van de met het toezicht op geconsolideerde basis belaste autoriteiten, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen misplaatst of misleidend zou zijn.
4. Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een dochterkredietinstelling niet in het toezicht op geconsolideerde basis betrekken op grond van een van de in lid 3, tweede en derde streepje, bedoelde gevallen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze dochterkredietinstelling gelegen is, van de moederonderneming inlichtingen verlangen om de uitoefening van het toezicht op deze kredietinstelling te vergemakkelijken.
5. Het toezicht op de solvabiliteit, de kapitaaltoereikendheid in het licht van de marktrisico's en de controle op grote risico's worden overeenkomstig het onderhavige artikel en de artikelen 53 tot en met 56 uitgeoefend op geconsolideerde basis. De lidstaten stellen in voorkomend geval de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings overeenkomstig lid 2 in het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken.
De naleving van de in artikel 51, leden 1 en 2, bepaalde limieten wordt onderworpen aan toezicht en aan controle op basis van de geconsolideerde of gesubconsolideerde financiële positie van de kredietinstelling.
6. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat alle ondernemingen die worden betrokken bij het toezicht op geconsolideerde basis waaraan een kredietinstelling op grond van de leden 1 en 2 onderworpen is, over adequate interne controleprocedures moeten beschikken om de gegevens en inlichtingen te kunnen produceren die van nut zijn voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis.
7. Onverminderd de specifieke bepalingen van andere richtlijnen kunnen de lidstaten ervan afzien de in lid 5 bedoelde normen op basis van subconsolidatie of op individuele basis toe te passen op kredietinstellingen die als moederonderneming aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen zijn, alsmede op elke dochteronderneming van deze kredietinstelling die voor vergunning en toezicht onder deze lidstaten ressorteert en die in het toezicht op geconsolideerde basis van de moederkredietinstelling is opgenomen. Deze vrijstelling wordt ook toegestaan wanneer de moederinstelling een financiële holding is met haar zetel in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling, op voorwaarde dat zij aan hetzelfde toezicht wordt onderworpen als kredietinstellingen en met name aan de in lid 5 vastgestelde voorschriften.
In de twee in de eerste alinea bedoelde gevallen moeten maatregelen worden genomen om te zorgen voor een adequate verdeling van het kapitaal binnen de bankgroep.
Indien de bevoegde autoriteiten deze normen op individuele basis toepassen, mogen zij voor de berekening van het eigen vermogen artikel 34, lid 2, laatste alinea, aanwenden.
8. Indien een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een moederonderneming die zelf en kredietinstelling is, een vergunning heeft gekregen en in een andere lidstaat gelegen is, passen de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, op deze instelling de in lid 5 bedoelde voorschriften toe, op individuele basis, dan wel, in voorkomend geval, op basis van subconsolidatie.
9. Onverminderd het bepaalde in lid 8, mogen de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een kredietinstelling is, bij overeenkomst hun toezichthoudende verantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming op zich nemen overeenkomstig deze richtlijn. De Commissie wordt over het afsluiten en de strekking van dergelijke overeenkomsten ingelicht. Zij licht de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten en het Raadgevend Comité voor het bankwezen hierover in.
10. De lidstaten bepalen dat hun met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten van de dochteronderneming van een kredietinstelling of een financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, de in artikel 55 bedoelde inlichtingen mogen verlangen. In dat geval zijn de in dat artikel bedoelde procedures voor toezending en verificatie van de inlichtingen van toepassing.