Art. 5 Verordening (EG) nr. 1493/1999
Verordening (EG) nr. 1493/1999
1. Om het beheer van het productiepotentieel op nationaal en/of regionaal niveau te verbeteren, vormen de lidstaten een nationale reserve of, in voorkomend geval, regionale reserves van aanplantrechten.
2. Aan de reserve, respectievelijk reserves worden toegewezen:
a) uit de reserves toegekende nieuwe-aanplantrechten, herbeplantingsrechten en aanplantrechten die niet binnen de in artikel 3, lid 4, in artikel 4, lid 5, en in lid 6 van dit artikel vastgestelde termijn worden gebruikt;
b) herbeplantingsrechten die door producenten die deze rechten hadden, aan de reserve worden overgedragen, in voorkomend geval tegen een vergoeding uit nationale middelen, waarvan het bedrag en eventueel andere daarmee verband houdende bijzonderheden door de lidstaten worden vastgesteld met inachtneming van de wettige belangen van de partijen;
c) nieuw gecreëerde aanplantrechten, als bedoeld in artikel 6.
3. De lidstaten kunnen aan de reserve toegewezen rechten toekennen:
a) om niet, aan producenten die jonger dan 40 jaar zijn, de nodige vakbekwaamheid en -kennis hebben en voor het eerst als bedrijfshoofd een wijnbouwbedrijf opstarten, of
b) tegen betaling van een vergoeding aan een nationaal fonds en, in voorkomend geval, aan regionale fondsen, aan producenten die voornemens zijn de rechten te gebruiken voor de aanplant van wijngaarden waarvan de afzet van de productie ervan gegarandeerd is. De lidstaten stellen de criteria vast voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding, welke kan variëren naar gelang van het toekomstige eindproduct van de betrokken wijngaarden.
4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de plaats waar de uit een reserve toegekende aanplantrechten worden gebruikt, de gebruikte wijnstokrassen en de toegepaste teelttechnieken garanderen dat de productie voortaan aan de vraag op de markt beantwoordt en dat de opbrengsten kenmerkend zijn voor het gemiddelde in het gebied waar die rechten worden gebruikt, in het bijzonder wanneer de aanplantrechten uit niet-bevloeide oppervlakten op bevloeide oppervlakten worden gebruikt.
5. Aan een reserve toegewezen aanplantrechten mogen tot uiterlijk het einde van het vijfde wijnoogstjaar volgend op het wijnoogstjaar waarin zij daaraan zijn toegewezen, uit die reserve worden toegekend. Niet binnen deze termijn toegekende aanplantrechten vervallen.
6. Uit een reserve toegekende aanplantrechten moeten worden gebruikt vóór het einde van het tweede wijnoogstjaar volgend op het wijnoogstjaar waarin zij zijn toegekend. Uit een reserve toegekende aanplantrechten die niet binnen deze termijn worden gebruikt, worden opnieuw aan een reserve toegewezen overeenkomstig lid 2, onder a).
7. Een lidstat die regionale reserves vormt, kan regels stellen voor de overdracht van aanplantrechten tussen regionale reserves. Indien in een lidstaat zowel een nationale reserve als regionale reserves bestaan, mogen onderlinge overdrachten ook worden toegestaan.
Op dergelijke overdrachten kan een verminderingscoëfficiënt worden toegepast.
8. In afwijking van de leden 1 tot en met 7 mag de bevoegde autoriteit van een lidstaat verkiezen het reservesysteem niet toe te passen, mits de lidstaat kan aantonen dat er een doeltreffend systeem voor het beheer van aanplantrechten op zijn gehele grondgebied bestaat. Dat systeem mag indien nodig afwijken van de desbetreffende bepalingen van dit hoofdstuk. Indien een lidstaat zo'n systeem heeft, worden de in de eerste zin van artikel 4, lid 5, bedoelde herbeplantingsrechten met vijf wijnoogstjaren verlengd. De tweede zin van artikel 4, lid 5, blijft van toepassing.