Art. 4 Verordening (EG) nr. 1493/1999
Verordening (EG) nr. 1493/1999
1. Herbeplantingsrechten:
a) zijn rechten die overeenkomstig lid 2 worden toegekend, of
b) zijn soortgelijke rechten die op grond van eerdere communautaire of nationale wetgeving zijn verworven.
2. De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die een met wijnstokken beplante oppervlakte gerooid hebben. De lidstaten kunnen herbeplantingsrechten toekennen aan producenten die de verplichting aangaan een met wijnstokken beplante oppervlakte te rooien voor het eind van het derde jaar volgend op dat waarin de oppervlakte is aangeplant. De herbeplantingsrechten gelden voor een oppervlakte die, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, gelijkwaardig is aan die waarvan de wijnstokken zijn of zullen worden gerooid.
3. Herbeplantingsrechten moeten worden gebruikt op het bedrijf waaraan zij zijn toegekend. De lidstaten mogen voorts bepalen dat herbeplantingsrechten slechts mogen worden gebruikt op het gerooide oppervlak.
4. In afwijking van lid 3 mogen herbeplantingsrechten geheel of gedeeltelijk aan een ander bedrijf worden overgedragen:
a) wanneer een deel van het betrokken bedrijf aan dat andere bedrijf wordt overgedragen. In dit geval mag het recht worden gebruikt op een oppervlakte van laatstgenoemd bedrijf die niet groter is dan de overgedragen oppervlakte; of
b) wanneer oppervlakten van dat andere bedrijf zijn bestemd voor
i) de productie van v.q.p.r.d. of van met een geografische aanduiding omschreven tafelwijnen, of
ii) voor de teelt van moederplanten.
De rechten mogen slechts worden gebruikt voor de oppervlakten en de doeleinden waarvoor zij zijn toegekend.
De lidstaten zorgen ervoor dat de toepassing van deze afwijkingen niet leidt tot een stijging van het totale productiepotentieel op hun grondgebied in het bijzonder wanneer overdrachten gebeuren van niet-bevloeide naar bevloeide oppervlakten.
5. Op grond van deze verordening verworven herbeplantingsrechten moeten worden gebruikt vóór het einde van het vijfde wijnoogstjaar volgend op het wijnoogstjaar waarin het rooien is geschied. In afwijking hiervan mag deze periode door de lidstaten tot acht jaar worden verlengd. In die periode niet gebruikte herbeplantingsrechten worden overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a), aan een reserve toegewezen.