Art. 2 Verordening (EG) nr. 1493/1999

Verordening (EG) nr. 1493/1999

1. De aanplant van wijnstokken die overeenkomstig artikel 19, lid 1, als wijndruivenrassen zijn ingedeeld is tot en met 31 juli 2010 verboden, tenzij de aanplant gebeurt op grond van:

a) nieuwe-aanplantrechten, als bedoeld in artikel 3,

b) een herbeplantingsrecht, als bedoeld in artikel 4, of

c) en uit een reserve toegekend aanplantrecht, als bedoeld in artikel 5 of, indien artikel 5, lid 8, wordt toegepast, in artikel 6, lid 1.

Tot diezelfde datum is ook het overenten van wijndruivenrassen op andere rassen van wijndruivenrassen verboden.

2. Druiven verkregen van oppervlakten:

a) waar vóór 1 september 1998 wijnstokken zijn aangeplant, en

b) waarvan de productie overeenkomstig artikel 6, lid 3, of artikel 7, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 822/87 uitsluitend voor distillatie in het verkeer mag worden gebracht,

mogen niet worden gebruikt voor de productie van wijn die bestemd is om in de handel te worden gebracht. Uit deze druiven bereide producten mogen uitsluitend voor distillatie in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen evenwel niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholvolumegehalte van 80 % vol of minder.

3. Indien een lidstaat overeenkomstig artikel 16 de inventaris van het wijnproductiepotentieel heeft opgesteld, kan hij afwijken van lid 2. Zo'n afwijking moet worden verleend vóór 31 juli 2002 en moet voor de betrokken oppervlakten de machtiging inhouden om wijn bestemd om in de handel te worden gebracht, te produceren.

De afwijking wordt verleend:

a) wanneer de betrokken wijnproducent eerder andere wijnstokken heeft gerooid op een oppervlakte die, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, gelijkwaardig is, behalve wanneer voor de betrokken oppervlakte op grond van de communautaire of nationale wetgeving een rooipremie is ontvangen; en/of

b) door het gebruik van herbeplantingsrechten toe te staan, wanneer een wijnproducent deze rechten heeft verkregen binnen een na de beplanting van de betrokken oppervlakte vast te stellen periode; de lidstaten kunnen daartoe ook de nieuw gecreëerde aanplantrechten bedoeld in artikel 6, lid 1, gebruiken; en/of

c) indien de lidstaat ten genoegen van de Commissie kan bewijzen dat hij beschikt over niet opgeëiste herbeplantingsrechten die nog geldig zouden zijn indien daarvoor een verzoek was ingediend, mogen die rechten worden gebruikt en toegewezen aan producenten voor een oppervlakte die, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, gelijkwaardig is; en/of

d) indien de betrokken wijnproducent zich ertoe heeft verbonden binnen een periode van drie jaar een oppervlakte te rooien die, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, gelijkwaardig is, indien die oppervlakte is opgenomen in het wijnbouwkadaster van die lidstaat.

4. Indien lid 3, onder a) of onder c), wordt toegepast, legt de lidstaat de betrokken producenten een passende administratieve sanctie op.

5. Lid 3, onder c), mag alleen worden toegepast voor een oppervlakte van ten hoogste 1,2 % van de met wijnstokken beplante oppervlakte.

6. Wanneer lid 3, onder b), wordt toegepast:

a) kunnen de rechten, wanneer de producent deze uit een reserve verkrijgt, alleen op grond van artikel 5, lid 3, onder b), worden verkregen en betaalt de producent 150 % van de normaliter door de lidstaat op grond van die bepaling aangerekende prijs, of

b) moeten herbeplantingsrechten, wanneer de producent die koopt, gelden voor de betrokken oppervlakte, vermeerderd met 50 %, welke 50 % extra overeenkomstig artikel 5 in de reserve of reserves wordt geplaatst dan wel, indien artikel 5, lid 8, wordt toegepast, aan de nieuw gecreëerde aanplantrechten bedoeld in artikel 6, lid 1, wordt toegevoegd.

7. Wijnstokken die overeenkomstig artikel 19, lid 1, als wijndruivenrassen zijn ingedeeld en

a) die zijn aangeplant met ingang van 1 september 1998 en waarvan de productie overeenkomstig artikel 6, lid 3, of artikel 7, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 822/87 uitsluitend voor distillatie in het verkeer mocht worden gebracht, of

b) in strijd met lid 1, zijn aangeplant,

worden gerooid. De voor het rooien gedane uitgaven worden gedragen door de betrokken producent. De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van dit lid.

Vorige artikelen

Volgende artikelen