Art. 7 Verordening (EG) nr. 1260/1999, Middelen en concentratie

Verordening (EG) nr. 1260/1999

1. De middelen die beschikbaar zijn voor de vastleggingen voor de Structuurfondsen, uitgedrukt in prijzen van 1999, bedragen 195 miljard euro voor de periode 2000-2006.

De verdeling van deze middelen over de betrokken jaren is opgenomen in de bijlage.

2. De verdeling van de begrotingsmiddelen over de doelstellingen geschiedt zodanig dat een aanzienlijke concentratie wordt bereikt ten gunste van de door doelstelling 1 betroffen regio's.

69,7 % van de Structuurfondsen wordt toegewezen aan doelstelling 1, inclusief 4,3 % voor overgangssteun (d.w.z. in totaal 135,9 miljard euro).

11,5 % van de Structuurfondsen wordt toegewezen aan doelstelling 2, inclusief 1,4 % voor overgangssteun (d.w.z. in totaal 22,5 miljard euro).

12,3 % van de Structuurfondsen wordt toegewezen aan doelstelling 3 (d.w.z. in totaal 24,05 miljard euro).

De cijfers van doelstellingen 1, 2 en 3 omvatten niet de in lid 6 bedoelde fondsmiddelen noch de financiering voor het FIOV buiten doelstelling 1.

3. De Commissie stelt volgens doorzichtige procedures indicatieve verdelingen van de vastleggingskredieten van de Structuurfondsen over de lidstaten voor de in de artikelen 13 tot en met 19 bedoelde programmering vast en houdt hierbij voor de doelstellingen 1 en 2 ten volle rekening met een of meer objectieve criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria uit de voorgaande periode krachtens Verordening (EEG) nr. 2052/88, zoals de voor steun in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, de nationale welvaart en de relatieve ernst van de structurele problemen, met name van het werkloosheidsniveau.

Voor doelstelling 3 geldt een verdeling die in hoofdzaak gebaseerd is op de voor steun in aanmerking komende bevolking, de werkgelegenheidssituatie en de ernst van de problemen, zoals sociale uitsluiting, onderwijs- en opleidingsniveaus en de arbeidsparticipatie van vrouwen.

Voor de doelstellingen 1 en 2 wordt bij de verdeling onderscheid gemaakt met betrekking tot toewijzingen van kredieten aan regio's en zones die overbruggingssteun krijgen. Deze toewijzingen worden bepaald volgens de in de eerste alinea bedoelde criteria. De jaarlijkse verdeling van deze kredieten is degressief vanaf 1 januari 2000 en is in 2000 lager dan in 1999. Het patroon van de overgangssteun kan, in overleg met de Commissie, worden toegesneden op de specifieke behoeften van de individuele regio's, mits de financiële toewijzing voor elke regio wordt gerespecteerd.

Voorts stelt de Commissie volgens doorzichtige procedures indicatieve verdelingen over de lidstaten vast met betrekking tot de vastleggingskredieten voor de in artikel 2, lid 3, eerste alinea bedoelde structurele acties in de visserijsector buiten de gebieden van doelstelling 1.

4. Uit hoofde van doelstelling 1 wordt, ten behoeve van Noord-Ierland en de grensgebieden van Ierland, voor de jaren 2000-2004 een Peace-programma vastgesteld ter ondersteuning van het vredesproces in Noord-Ierland.

Uit hoofde van doelstelling 1 wordt voor de periode 2000-2006 een speciaal bijstandsprogramma vastgesteld ten behoeve van de Zweedse NUTS II-gebieden die niet voorkomen op de in artikel 3, lid 2, bedoelde lijst en die voldoen aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Zweden en Finland.

5. 4 % van de vastleggingskredieten uit hoofde van elke in lid 3 bedoelde indicatieve verdeling worden toegewezen overeenkomstig artikel 44.

6. Voor de in lid 1 bedoelde periode wordt 5,35 % van de vastleggingskredieten van de in lid 1 bedoelde fondsen gebruikt voor de financiering van communautaire initiatieven.

0,65 % van de in lid 1 bedoelde kredieten wordt gebruikt voor de financiering van innoverende acties en technische hulp als omschreven in artikel 22 en artikel 23.

7. De in lid 1 bedoelde bedragen worden met het oog op de programmering en de opvoering ervan op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen per 1 januari 2000 met 2 % per jaar geïndexeerd.

De indexering van de toewijzingen voor 2004, 2005 en 2006 wordt indien nodig uiterlijk op 31 december 2003 herzien in het kader van een technische aanpassing door de Commissie op basis van de meest recente economische gegevens. Het verschil met de oorspronkelijke programmering wordt toegevoegd aan het in lid 5 bedoelde bedrag.

8. Het totale bedrag dat elke lidstaat jaarlijks uit hoofde van deze verordening van de Structuurfondsen ontvangt - samen met de bijstand van het Cohesiefonds - blijft beperkt tot 4 % van het BBP.