Art. 11 Verordening (EG) nr. 1260/1999, Additionaliteit
Verordening (EG) nr. 1260/1999
1. Om een reëel economisch effect te waarborgen, mogen de kredieten van de fondsen niet in de plaats komen van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven van de lidstaten.
2. Te dien einde stellen de Commissie en de betrokken lidstaat het peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven vast dat de lidstaat gedurende de programmeringsperiode in alle onder doelstelling 1 vallende regio's dient te handhaven.
Voor de doelstellingen 2 en 3 samen, stellen de Commissie en de betrokken lidstaat het peil vast van de uitgaven voor het actieve arbeidsmarktbeleid alsook, in met redenen omklede gevallen, voor andere acties ter verwezenlijking van de met die twee doelstellingen beoogde resultaten, dat de lidstaat op nationaal niveau tijdens de programmeringsperiode dient te handhaven.
Deze uitgaven worden door de Commissie en de lidstaat vastgesteld overeenkomstig de vierde alinea, voordat de Commissie haar besluit neemt tot goedkeuring van een communautair bestek of enkelvoudig programmeringsdocument dat op deze lidstaat betrekking heeft. Zij worden verwerkt in die documenten.
Normaliter is het uitgavenpeil zoals bedoeld in de eerste en de tweede alinea ten minste gelijk aan het bedrag van de jaarlijkse gemiddelde uitgaven in reële termen dat in de voorgaande programmeringsperiode is bereikt en wordt het vastgesteld in het licht van de algemene macro-economische omstandigheden waarin de financiering plaatsvindt, met dien verstande dat eveneens rekening wordt gehouden met een aantal specifieke economische situaties, zoals privatiseringen, een uitzonderlijk peil van de structurele inspanningen van de overheid of daarmee gelijk te stellen inspanningen van de lidstaat tijdens de vorige programmeringsperiode en de nationale conjuncturele ontwikkelingen.
Ook wordt rekening gehouden met de eventuele verlagingen van de uitgaven uit de Structuurfondsen ten opzichte van de periode 1994-1999.
3. In de loop van de programmeringsperiode vinden op het in lid 2 bedoelde geografische niveau drie additionaliteitstoetsingen plaats:
a) een voorafgaande toetsing als bedoeld in lid 2, derde alinea, die voor de gehele programmeringsperiode als referentiekader zal dienen;
b) een toetsing halverwege uiterlijk drie jaar na de goedkeuring van het communautair bestek of van de enkelvoudige programmeringsdocumenten en normaliter uiterlijk op 31 december 2003, waarna de Commissie en de lidstaat een herziening van het te bereiken peil van de structurele uitgaven kunnen overeenkomen indien de economische situatie heeft geleid tot een ontwikkeling van de overheidsontvangsten of de werkgelegenheid in de lidstaat die aanzienlijk verschilt van die waarop bij de toetsing vooraf was gerekend;
c) een toetsing vóór 31 december 2005.
Te dien einde verstrekt de lidstaat de Commissie passende informatie bij de indiening van de plannen, bij de toetsing halverwege en bij de toetsing die vóór 31 december 2005 plaatsvindt. Waar nodig zal gebruik worden gemaakt van methoden voor statistische ramingen.
Los van deze toetsingen stelt de lidstaat de Commissie op ieder tijdstip van de programmeringsperiode in kennis van de ontwikkelingen die zijn vermogen om het in lid 2 bedoelde uitgavenpeil te handhaven, in gevaar kunnen brengen.