Art. 6 Verordening (EG) nr. 1251/1999

Verordening (EG) nr. 1251/1999

1. De braakleggingsverplichting wordt voor elke producent die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend en dat op grond van deze verordening uit productie wordt genomen.

Het basispercentage van de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op 10 % vanaf verkoopseizoen 2000/2001 tot verkoopseizoen 2006/2007.

2. De lidstaten nemen adequate milieubeschermingsmaatregelen die beantwoorden aan de specifieke situatie van de braakgelegde grond.

3. De braakgelegde grond mag worden gebruikt voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet specifiek voor voeding of vervoedering bestemde producten, op voorwaarde dat doeltreffende controlesystemen worden toegepast.

De lidstaten mogen nationale steun betalen tot een maximum van 50 % van de aanplantkosten van meerjarige gewassen voor de productie van biomassa op braakgelegde grond.

4. Als verschillende opbrengsten zijn vastgesteld voor bevloeide en niet-bevloeide oppervlakten, geldt de betaling voor braaklegging voor niet-bevloeide oppervlakten. Voor Portugal wordt bij de betaling rekening gehouden met de bij Verordening (EEG) nr. 3653/90 ingestelde steunregeling.

5. De betaling voor braaklegging kan aan de producenten worden toegekend voor vrijwillige braaklegging die hun verplichting overschrijdt. De lidstaten staan landbouwers toe tot ten minste 10 % braak te leggen van het areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een areaalbetaling wordt aangevraagd, en dat overeenkomstig deze verordening wordt braakgelegd. De lidstaten mogen hogere percentages vaststellen rekening houdend met specifieke situaties, waarbij moet worden gewaarborgd dat cultuurgrond in toereikende mate wordt gebruikt.

6. De betaling voor braaklegging mag voor meerdere jaren worden toegekend, met een maximum van vijf jaar.

7. Producenten die een betalingsaanvraag indienen voor een kleinere oppervlakte dan die welke volgens de voor hun regio vastgestelde opbrengsten nodig is om 92 ton granen te produceren, zijn vrijgesteld van de braakleggingsverplichting. De leden 5 en 6 zijn evenwel van toepassing op deze producenten.

8. Op grond van het bepaalde in artikel 7 mogen

- op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999(10) uit productie genomen oppervlakten die noch voor landbouw worden gebruikt, noch voor enig ander lucratief doel, niet zijnde een doel dat voor andere op grond van deze verordening uit de productie genomen oppervlakten wordt aanvaard, of

- op grond van Verordening (EG) nr. 1257/1999 beboste oppervlakten.

naar aanleiding van een na 28 juni 1995 ingediende aanvraag tot een maximum per bedrijf dat door de betrokken lidstaat mag worden vastgesteld, worden meegerekend als uit productie genomen in de zin van de braakleggingsverplichting van lid 1. Een dergelijk maximum wordt alleen vastgesteld wanneer dit noodzakelijk is om te voorkomen dat een onevenredig groot bedrag van de voor deze regeling beschikbare middelen gebruikt wordt voor een klein aantal bedrijven.

Op deze oppervlakten wordt de in artikel 4 bedoelde areaalbetaling echter niet uitgekeerd en wordt de steun op grond van artikel 24, lid 1, of artikel 31, lid 1, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 beperkt tot een bedrag dat maximaal gelijk is aan de areaalbetaling voor braaklegging bedoeld in artikel 4, lid 3.

De lidstaten kunnen besluiten de regeling van dit lid niet toe te passen op nieuwe aanvragers in gebieden waar sprake is van een permanent gevaar van aanzienlijke overschrijding van het regionale basisareaal.

Uitspraken die dit artikel aanhalen