Art. 3 Verordening (EG) nr. 1251/1999

Verordening (EG) nr. 1251/1999

1. Met het oog op de vaststelling van de gemiddelde opbrengsten die worden gebruikt voor de berekening van de areaalbetaling, stelt elke lidstaat een regioplan op met daarin de relevante objectieve criteria voor het bepalen van afzonderlijke productieregio's met het doel te komen tot een verdeling in homogene zones.

In deze context houden de lidstaten bij de opstelling van hun regioplannen rekening met specifieke situaties. Met name kunnen zij de gemiddelde opbrengsten differentiëren om rekening te houden met eventuele structurele verschillen tussen productieregio's.

2. Voorts kunnen de lidstaten in hun regioplannen voor maïs een afwijkend opbrengstcijfer hanteren in vergelijking met andere graansoorten.

a) Wanneer de opbrengst voor maïs hoger is dan voor andere graansoorten, moet voor maïs een apart basisareaal als bedoeld in artikel 2, lid 2, worden vastgesteld dat naar keuze van de lidstaat één of meer productieregio's van maïs omvat.

De lidstaten mogen tevens in de betrokken regio's aparte basisarealen vaststellen voor andere akkerbouwgewassen dan maïs. In dat geval wordt, indien het basisareaal voor maïs gedurende een verkoopseizoen niet wordt bereikt, het resterende aantal hectaren voor datzelfde verkoopseizoen toegewezen aan het overeenkomstige basisareaal voor andere akkerbouwgewasen dan maïs.

b) Wanneer de opbrengst voor maïs gelijk is aan of lager dan die van andere graansoorten, mag overeenkomstig het vorige streepje ook een apart basisareaal voor maïs worden vastgesteld. In dat geval, en indien de lidstaat verkiest een basisareaal voor "andere akkerbouwgewassen dan maïs" vast te stellen:

- kan, indien het basisareaal voor maïs gedurende een verkoopseizoen niet wordt bereikt, het resterende aantal hectaren voor datzelfde verkoopseizoen worden toegewezen aan het overeenkomstige basisareaal voor andere gewassen;

- kan, indien het basisareaal voor "andere akkerbouwgewassen dan maïs" gedurende een verkoopseizoen niet wordt bereikt, het resterende aantal hectaren voor datzelfde verkoopseizoen worden toegewezen aan het betrokken basisareaal voor maïs.

Bij overschrijding van deze basisarealen is artikel 2, lid 4, van toepassing.

3. De lidstaten kunnen in hun regioplannen de opbrengsten voor bevloeide oppervlakten en niet bevloeide oppervlakten differentiëren. In dat geval stellen zij een afzonderlijk basisareaal vast voor bevloeide gewassen.

Het bevloeide basisareaal is gelijk aan het gemiddelde van de bevloeide oppervlakten voor akkerbouwgewassen in de jaren 1989 tot en met 1991, inclusief de verhogingen welke op grond van artikel 3, lid 1, vierde alinea, laatste zin, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 zijn toegepast. Het bevloeide basisareaal in Portugal wordt echter geleidelijk tot 60000 ha verhoogd voor die arealen waarvoor is aangetoond dat de investeringen in irrigatiewerken na 1 augustus 1992 zijn begonnen. Deze verhoging mag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan het in lid 2 bedoelde geïrrigeerde basisareaal voor maïs.

De vaststelling van het bevloeide basisareaal mag het totale basisareaal van de betrokken lidstaat op geen enkele wijze doen toenemen. Indien het bevloeide basisareaal wordt overschreden, is artikel 2, lid 4, van toepassing.

Indien het bevloeide basisareaal in een bepaald verkoopseizoen niet wordt gehaald, wordt het resterende aantal hectaren voor hetzelfde verkoopseizoen toegewezen aan het overeenkomstige niet-bevloeide basisareaal.

4. Het regioplan moet in alle gevallen garanderen dat de gemiddelde opbrengst van de betrokken lidstaat die voor de periode en aan de hand van de in lid 5 bedoelde criteria is vastgesteld, in acht wordt genomen.

5. Voor elke productieregio moet de lidstaat gedetailleerde gegevens verstrekken over het areaal en de opbrengsten van akkerbouwgewassen die in de betrokken regio zijn getseld in de periode van vijf jaar van 1986/1987 tot en met 1990/1991. Voor elke regio wordt een gemiddelde graanopbrengst berekend, waarbij het jaar met de hoogste en dat met de laagste opbrengst in de betrokken periode buiten beschouwing worden gelaten.

Aan deze verplichting kan worden voldaan

- in het geval van Portugese graansoorten, door de gegevens te verstrekken die zijn verschaft in het kader van de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3653/90 van de Raad van 11 december 1990 houdende overgangsbepalingen inzake de gemeenschappelijke marktordening voor granen en rijst voor Portugal(9),

- en in het geval van de vijf nieuwe Duitse deelstaten, door gegevens te verstrekken over de gemiddelde oogstopbrengst in de andere Duitse deelstaten,

- in het geval van Italië en Spanje, door de referentieopbrengst vast te stellen op respectievelijk 3,9 ton/ha en 2,9 ton/ha.

Indien een lidstaat besluit

- maïs apart van andere graansoorten te behandelen, wordt de gemiddelde graanopbrengst, die niet mag worden gewijzigd, opgesplitst tussen maïs en overige graansoorten,

- bevloeide oppervlakten apart van niet-bevloeide oppervlakten te behandelen, dient de desbetreffende gemiddelde opbrengst, die niet mag worden gewijzigd, te worden opgesplitst naar de twee categorieën oppervlakten.

6. De lidstaten moeten hun regioplan uiterlijk op 1 augustus 1999 bij de Commissie indienen, met alle daarbij dienstige gegevens. Zij kunnen aan deze verplichting voldoen door te verwijzen naar het overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 1765/92 bij de Commissie ingediende regioplan.

De Commissie onderzoekt de door de lidstaten ingediende regioplannen en ziet erop toe dat elk plan gebaseerd is op adequate, objectieve criteria en in overeenstemming is met de beschikbare historische gegevens. De Commissie kan bezwaar maken tegen plannen die niet beantwoorden aan de bovengenoemde criteria, in het bijzonder die met betrekking tot de gemiddelde opbrengst in de lidstaat. In dat geval moeten de plannen door de betrokken lidstaat worden bijgesteld na overleg met de Commissie.

De regioplannen kunnen door de betrokken lidstaat worden herzien op verzoek van de Commissie of op initiatief van die lidstaat overeenkomstig de in dit artikel beschreven procedure.

7. Indien een lidstaat op grond van lid 1 productieregio's wil bepalen waarvan de grenzen afwijken van die van regionale basisarealen, zendt hij de Commissie een overzicht van alle betalingsaanvragen en van de betrokken opbrengsten. Indien uit deze gegevens blijkt dat, voor een bepaalde lidstaat, de gemiddelde opbrengst die resulteert uit het in 1993 toegepaste regioplan of, voor Oostenrijk, Finland en Zweden, de gemiddelde opbrengst die resulteert uit het in 1995 toegepaste regioplan of, in het geval van Italië en Spanje de opbrengst zoals vastgesteld in artikel 3, lid 5, wordt overschreden, worden alle in die lidstaat uit te keren betalingen voor het volgende verkoopseizoen in verhouding tot de geconstateerde overschrijding verlaagd. Deze bepaling is echter niet van toepassing wanneer de hoeveelheid waarvoor aanvragen zijn ingediend, uitgedrukt in tonnen granen, niet groter is dan het product van de basisarealen van de lidstaat vermenigvuldigd met bovengenoemde gemiddelde opbrengst.

De lidstaten kunnen kiezen voor de vaststelling van een eventuele overschrijding van de gemiddelde opbrengst per basisareaal. In dat geval moeten de bepalingen van dit lid worden toegepast op de in elk betrokken basisareaal uit te keren betalingen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen