Art. 12 Richtlijn 1999/35/EG, Onderzoek naar ongevallen
1. De lidstaten stellen in het kader van hun respectieve nationale wetgevingen een wettelijke regeling vast op grond waarvan zij en iedere andere lidstaat die een aanzienlijk belang heeft, kunnen deelnemen of meewerken aan een onderzoek naar een ongeval of incident op zee dan wel, indien de code voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee zulks bepaalt, een onderzoek naar ongevallen of incidenten op zee kunnen instellen wanneer daar ro-ro-veerboten of hogesnelheidspassagiersvaartuigen bij betrokken zijn.
2. "Staat die een aanzienlijk belang heeft", "staat die het onderzoek leidt" en "ongeval op zee" hebben dezelfde betekenis als in de IMO-code voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee.
3. Wanneer een ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersvaartuig betrokken is bij een ongeval op zee, wordt de onderzoekprocedure ingeleid door de staat in wiens wateren het ongeval of incident heeft plaatsgevonden of, indien het elders heeft plaatsgevonden, door de laatste lidstaat die door het vaartuig is aangedaan. Die staat blijft verantwoordelijk voor onderzoek en coördinatie met andere staten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welke staat het onderzoek leidt.
4. Lidstaten die een dergelijk onderzoek instellen, dan wel daaraan deelnemen of meewerken, zorgen ervoor dat het onderzoek zo efficiënt mogelijk en in zo kort mogelijke tijd wordt verricht, met inachtneming van de code voor het onderzoek naar ongevallen op zee.
5. De lidstaten dragen er zorg voor dat de rapporten van zulk een onderzoek openbaar worden gemaakt overeenkomstig punt 12.3 van de Code voor het onderzoek naar ongevallen op zee en ter kennis van de Commissie worden gebracht.