Art. 5 Richtlijn 97/9/EG

Richtlijn 97/9/EG

1. Indien een beleggingsonderneming die krachtens artikel 2, lid 1, verplicht is tot deelneming aan een stelsel, niet voldoet aan de verplichtingen die uit hoofde van haar deelneming aan dit stelsel op haar rusten, worden de bevoegde autoriteiten die de vergunning verleend hebben, daarvan in kennis gesteld en nemen deze, in samenwerking met het compensatiestelsel, alle passende maatregelen, met inbegrip van sancties, om ervoor te zorgen dat de beleggingsonderneming haar verplichtingen nakomt.

2. Indien de beleggingsonderneming in weerwil van deze maatregelen aan haar verplichtingen blijft verzaken, kan het stelsel, voorzover uitsluiting van deelneming bij de nationale wetgeving is toegestaan, met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten, met een opzeggingstermijn van ten minste twaalf maanden kennis geven van zijn voornemen de beleggingsonderneming van deelneming aan het stelsel uit te sluiten. Beleggingsverrichtingen die gedurende deze periode plaatsvonden, blijven onder de bij artikel 2, lid 2, tweede alinea, voorgeschreven dekking vallen. Indien de beleggingsonderneming na het verstrijken van de opzeggingstermijn niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, mag het compensatiestelsel, na opnieuw de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten te hebben verkregen, tot uitsluiting overgaan.

3. Indien de nationale wetgeving zulks toestaat en de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, daarvoor uitdrukkelijk toestemming gegeven hebben, mag een van een beleggerscompensatiestelsel uitgesloten beleggingsonderneming beleggingsdiensten blijven verrichten, mits zij vóór haar uitsluiting alternatieve compensatieregelingen getroffen heeft die de beleggers een dekking garanderen die ten minste gelijkwaardig is aan de door het officieel erkende stelsel geboden dekking en die gelijkwaardige kenmerken heeft als die van dat stelsel.

4. Indien een beleggingsonderneming waarvan de uitsluiting overeenkomstig lid 2 wordt overwogen, er niet in slaagt alternatieve regelingen te treffen die aan de voorwaarden van lid 3 voldoen, gaan de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, onverwijld tot intrekking van deze vergunning over.