Art. 2 Richtlijn 97/9/EG

Richtlijn 97/9/EG

1. Iedere lidstaat ziet erop toe dat op zijn grondgebied een of meer beleggerscompensatiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend. Uitgezonderd in de omstandigheden bedoeld in de tweede alinea en in artikel 5, lid 3, mogen beleggingsondernemingen waaraan in die lidstaat vergunning is verleend, alleen beleggingswerkzaamheden verrichten indien zij aan een dergelijk stelsel deelnemen.

De lidstaten mogen een kredietinstelling waarop deze richtlijn van toepassing is, evenwel vrijstellen van verplichte deelneming aan een beleggerscompensatiestelsel indien deze kredietinstelling reeds op grond van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 94/19/EG is vrijgesteld van deelneming aan een depositogarantiestelsel, mits de aan deposanten gegeven bescherming en informatie onder dezelfde voorwaarden aan beleggers wordt gegeven, zodat deze een bescherming genieten die ten minste gelijkwaardig is aan de door een beleggerscompensatiestelsel geboden bescherming.

De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruik maken, stellen de Commissie daarvan in kennis; zij doen met name mededeling van de kenmerken van deze beschermingsstelsels en van de uit hoofde van deze richtlijn daaronder vallende kredietinstellingen, alsmede van na de toezending van de inlichtingen opgetreden wijzigingen. De Commissie geeft de mededelingen door aan de Raad.

2. Het stelsel verschaft overeenkomstig artikel 4 dekking aan beleggers:

- wanneer de bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat, naar hun oordeel, een beleggingsonderneming, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, momenteel niet in staat lijkt te zijn te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers, en daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zullen zijn, dan wel

- wanneer een rechterlijke instantie, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van een beleggingsonderneming, een beslissing heeft gegeven die leidt tot schorsing van de mogelijkheid voor beleggers om hun vorderingen op deze beleggingsonderneming te verhalen,

naargelang het de vaststelling dan wel de beslissing is die het eerst plaatsvindt.

Er moet dekking zijn voor vorderingen die voortvloeien uit het onvermogen van een beleggingsonderneming om:

- geld dat verschuldigd is aan beleggers of beleggers toebehoort en dat voor hen in verband met beleggingsverrichtingen wordt gehouden, terug te betalen of

- aan beleggers instrumenten terug te geven die hun toebehoren en namens hen in verband met beleggingsverrichtingen worden gehouden, geadministreerd of beheerd,

overeenkomstig de geldende wettelijke en contractuele voorwaarden.

3. Elke vordering van het type als bedoeld in lid 2 op een kredietinstelling die in een bepaalde lidstaat zowel onder de onderhavige richtlijn als onder Richtlijn 94/19/EG valt, wordt door die lidstaat toegerekend aan het stelsel van één van deze beide richtlijnen, op de wijze die hij het meest passend acht. Geen enkele vordering mag aanleiding geven tot dubbele uitkering uit hoofde van beide richtlijnen.

4. Het bedrag van de vordering van een belegger wordt berekend overeenkomstig de wettelijke en contractuele voorwaarden, met name inzake verrekening en tegenvorderingen, die gelden voor de bepaling, op het tijdstip van de in lid 2 bedoelde vaststelling of beslissing, van het bedrag aan geld of de waarde, waar mogelijk aan de hand van de marktwaarde, van de instrumenten die de belegger toebehoren en die de beleggingsonderneming niet kan terugbetalen of teruggeven.

Uitspraken die dit artikel aanhalen