Art. 19 Verordening (EG) nr. 2200/96
1. In deze verordening worden onder "erkende brancheorganisaties", hierna "brancheorganisaties" genoemd, verstaan rechtspersonen die:
a) bestaan uit vertegenwoordigers van de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de produktie en/of de verhandeling en/of de verwerking van de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten;
b) zijn opgericht op initiatief van alle of een deel van de aangesloten verenigingen of groeperingen;
c) in een of meer regio's van de Gemeenschap een aantal van de hieronder vermelde werkzaamheden uitoefenen, daarbij rekening houdend met de belangen van de consument:
- verbeteren van de kennis inzake en de doorzichtigheid van de produktie en de markt;
- bijdragen tot een betere coördinatie van de afzet van groenten en fruit, onder meer door middel van marktonderzoeken of -studies;
- opstellen van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving;
- verhogen van de handelswaarde van groenten en fruit;
- verzamelen van gegevens en verrichten van onderzoek voor de afstemming van de produktie op de eisen van de markt en op de smaak en de wensen van de consument, met name wat de kwaliteit van de produkten en de bescherming van het milieu betreft;
- zoeken van methoden die minder gewasbeschermingsmiddelen en andere produktiemiddelen vergen en die de kwaliteit van de produkten en het behoud van bodem en water garanderen;
- ontwikkelen van methoden en instrumenten om de kwaliteit van de produkten te verbeteren;
- ontwikkelen en beschermen van de biologische landbouw, oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen;
- bevorderen van geïntegreerde produktie of van andere milieuvriendelijke produktiemethoden;
- vaststellen, met betrekking tot de in bijlage III genoemde produktie- en afzetregels, van strengere voorschriften dan de communautaire of nationale regelingen;
d) onder de in lid 2 bedoelde voorwaarden zijn erkend.
2. Indien de structuren van de Lid-Staat zulks rechtvaardigen, kunnen de Lid-Staten de op hun grondgebied gevestigde organisaties die daarom verzoeken als brancheorganisatie in de zin van deze verordening erkennen, op voorwaarde dat deze:
a) hun werkzaamheden uitoefenen in een of meer regio's van de betrokken Lid-Staat;
b) in de betrokken regio of regio's een belangrijk gedeelte van de produktie en/of de verhandeling en/of de verwerking van groenten en fruit en verwerkte produkten op basis van groenten en fruit vertegenwoordigen, en zij, indien zij hun werkzaamheden in meer dan één regio uitoefenen, het bewijs leveren van een minimumrepresentativiteit voor elke branchegroep in elke betrokken regio;
c) meer dan één van de in lid 1, onder c), genoemde werkzaamheden uitoefenen;
d) zelf geen groenten en fruit of verwerkte produkten op basis van groenten en fruit produceren, noch verwerken, noch afzetten;
e) niet de in artikel 20 bedoelde activiteiten uitoefenen.
3. Alvorens een brancheorganisatie te erkennen, delen de Lid-Staten de Commissie mede welke organisaties een verzoek om erkenning hebben ingediend en verstrekken zij alle dienstige inlichtingen betreffende de representativiteit en de werkzaamheden van deze organisaties, alsmede alle andere nodige beoordelingsfactoren.
De Commissie kan binnen twee maanden na deze kennisgeving bezwaar maken tegen de erkenning.
4. De Lid-Staten:
a) nemen binnen drie maanden na indiening van een met alle nodige bewijsstukken gestaafd verzoek een besluit inzake de erkenning;
b) verrichten met geregelde tussenpozen controles op de inachtneming door de brancheorganisaties van de erkenningsvoorwaarden, stellen de sancties vast die aan de betrokken verenigingen bij niet inachtneming worden opgelegd en besluiten zo nodig dat hun erkenning wordt ingetrokken;
c) trekken de erkenning in, indien:
i) niet meer wordt voldaan aan de in deze verordening bepaalde voorwaarden voor erkenning;
ii) de brancheorganisatie een der in artikel 20, lid 3, genoemde verbodsbepalingen overtreedt, onverminderd de strafvervolging uit hoofde van de nationale wetgeving;
iii) de brancheorganisatie niet voldoet aan de in artikel 20, lid 2, genoemde verplichting tot kennisgeving;
d) stellen de Commissie binnen twee maanden in kennis van elk besluit tot toekenning, afwijzing of intrekking van de erkenning.
5. Volgens de procedure van artikel 45 wordt bepaald hoe en hoe vaak de Lid-Staten bij de Commissie verslag moeten uitbrengen over de werkzaamheden van de brancheorganisaties.
De Commissie ziet er door middel van overeenkomstig titel VI te verrichten controles op toe, dat het bepaalde in lid 2 en lid 4, onder b), in acht wordt genomen, en kan de Lid-Staten naar aanleiding van die controles verzoeken, erkenningen in te trekken.
6. De erkenning houdt de machtiging in om overeenkomstig deze verordening de in lid 1, onder c), omschreven werkzaamheden uit te oefenen.
7. De Commissie draagt er zorg voor dat de erkende brancheorganisaties, met vermelding van de economische regio of van het gebied waar zij werkzaam zijn, alsook van de in de zin van artikel 21 verrichte activiteiten, worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Intrekking van een erkenning wordt eveneens bekendgemaakt.